Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera silvicola

Drosera silvicola

Een dwergzonnedauw van het noordelijke jarrahbos die meer dan dertig jaar als verdwenen gold op zijn bekendste plek, en daar in 2025 werd teruggevonden. Drosera silvicola — 'die in het bos woont' — bloeit met glanzend roze bloemen met een donkerrood hart, en is een van de zeldzaamste dwergsoorten rond Perth.

Drosera silvicola
Foto: Michal Klajban in kweek — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera silvicola — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: DevOhm in kweek — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een meerjarige dwergzonnedauw met een open rozet tot 3 cm breed en een totale hoogte tot 8 cm. De bladeren zijn bezet met kleverige tentakels. De bloemen zijn roze, met glanzende kroonbladen en een donkerrood centrum, en verschijnen in november. Nauwkeurige blad- en bloemmaten zijn in de geraadpleegde bronnen niet gepubliceerd.

Gelijkende soorten

De GBIF-ruggengraat behandelt de plant als ondersoort van Drosera barbigera, en die soort is dan ook de voor de hand liggende verwisseling; Plants of the World Online houdt haar als zelfstandige soort, en deze gids volgt dat. Het verschil tussen beide is in de geraadpleegde bronnen niet uitgewerkt. De combinatie van roze bloemen met donkerrood hart, bloei in november en lateriet in het noordelijke jarrahbos is voor D. silvicola het beste houvast.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval op miniatuurschaal. Elk bladschijfje, vaak niet groter dan een speldenknop tot enkele millimeters, draagt aan de rand en op de bovenzijde gesteelde klieren met een glinsterende, kleverige druppel; de randtentakels zijn meestal het langst. Een diertje dat de druppels raakt blijft vastzitten, waarna de tentakels zich naar het midden van het schijfje buigen en de prooi tegen de verterende klieren drukken. De klieren scheiden enzymen af en nemen stikstof, fosfor en mineralen op uit wat oplost. Door het formaat bestaat de vangst uit het allerkleinste: springstaarten, mijten, bladluizen, trips en minuscule muggen die over of vlak boven de zandbodem bewegen.

Standplaats en ecologie

Grindrijke laterietbodems (D3) in het jarrahbos (B6), op open plekken met weinig strooisel. Juist dat gebrek aan strooisel lijkt belangrijk: onder een dikke laag bladafval komen dwergzonnedauwen niet aan licht.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor het noordelijke jarrahbos van Zuidwest-Australië, ten oosten en zuidoosten van Perth. FloraBase vermeldt de soort uit de gemeenten Boddington, Murray, Swan en Wandering. Omdat de soort zeer zeldzaam is, geeft deze gids geen nadere vindplaatsen.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 2 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Allen Lowrie en Sherwin Carlquist beschreven de soort in 1992. Jan Schlauer bracht haar later onder bij D. barbigera als subsp. silvicola; GBIF volgt dat, Plants of the World Online niet. In 2025 werd de plant teruggevonden in een particulier natuurreservaat bij Perth, na meer dan dertig jaar zonder waarneming op die plek; twee andere populaties liggen op zo'n 70 km afstand, op terreinen binnen mijnbouwconcessies.

Waar en wanneer te zien

Niet zelf naar zoeken. De weinige populaties liggen op particulier reservaatterrein en binnen mijnbouwgebied, en zijn te klein om betreding te verdragen. De beste manier om de plant te zien is via een georganiseerde excursie of via foto's van de beheerders.

Staat van instandhouding

Op de IUCN-Rode Lijst als niet bedreigd (LC) beoordeeld; niet in CITES. Die wereldwijde beoordeling staat in schril contrast met de West-Australische: daar staat de plant als Priority One geregistreerd — uiterst zeldzaam, mogelijk bedreigd en dringend toe aan een volledige beoordeling. Het verschil kan samenhangen met de taxonomische onenigheid: wie de plant bij D. barbigera onderbrengt, beoordeelt een veel groter geheel. Bauxietwinning in het jarrahbos, wortelrot en brand zijn de voornaamste bedreigingen.

Wetenschappelijke naam

Drosera silvicola | Lowrie & Carlquist, 1996

Drosera silvicola werd in augustus 1992 beschreven door Allen Lowrie en Sherwin Carlquist, gepubliceerd in Phytologia, deel 73(2): 105–107. Het typegebied ligt bij Boddington, West-Australië. Het holotype (PERTH 2753480) werd verzameld door Allen Lowrie op 11 november 1991, in lateriet-grindgronden in open jarrah-bos. De naam is beschrijvend Latijn: "silvicola" betekent "bosbewoner" (silva = bos, -cola = bewoner), en verwijst naar de groeiplaats van de soort in bosgebied.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.