Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Dionaea muscipula
Dionaea muscipula | Venusvliegenval
Venus flytrap | Venus atrapamoscas
De bekendste vleesetende plant ter wereld groeit in het wild op een oppervlak dat je op een dag doorkruist: een strook kustvlakte rond Wilmington in de Carolina's, en verder nergens. Wat iedereen op de vensterbank kent, is in het veld een zeldzaamheid van hooguit een centimeter of tien.




Herkenning
Een platte rozet van vier tot zeven bladeren, elk bestaand uit een gevleugelde bladsteel van 2 tot 7 cm en daaraan de val: twee niervormige lobben van hooguit 25 mm, met langs de rand een rij stijve tanden tot 8 mm. Op de binnenkant van elke lob staan drie fijne voelharen in een driehoek, en bij veel planten kleurt die binnenkant in volle zon dieprood. In mei en juni staat er een kale bloemstengel van 10 tot 30 cm boven de rozet, met een schermvormige tros witte bloemen; de vijf kroonbladen zijn 11 tot 13 mm lang en hebben opvallende donkere nerven. Na de bloei maakt de plant langere, meer opgerichte bladeren dan in het voorjaar.
Gelijkende soorten
In het veld is verwarring vrijwel uitgesloten: geen andere plant ter wereld heeft deze val. Wat wél verwarring geeft is de plant zónder val — buiten het seizoen, of in de schaduw, lijkt een jonge rozet op elke andere rozetplant van de savanne. De zonnedauwen waarmee hij dezelfde grond deelt (Drosera capillaris, D. intermedia) hebben klierharen met een druppel en geen scharnier. Let ook op de bloem: een witte bloem met vijf kroonbladen op een lange kale stengel is in dit landschap eerder een zonnedauw dan een venusvliegenval.
De val en hoe hij werkt
De val gaat dicht als binnen ongeveer twintig seconden twee voelharen worden aangeraakt, of één haar twee keer — een regenbui of een zandkorrel haalt die drempel niet. De lobben klappen dan in ongeveer een tiende van een seconde om, waarbij de gebogen bladhelften van bol naar hol omslaan; de randtanden grijpen in elkaar als de spijlen van een kooi. Een klein dier loopt daar tussendoor naar buiten, en dat is de bedoeling: de val is niet gebouwd voor kruimels. Pas na nog vijf prikkels van een spartelende prooi begint de plant verteringssap af te scheiden en sluit de val zich helemaal. Het menu is grondgebonden: uit onderzoek in het veld kwam ruwweg 40 procent spinnen, 26 procent mieren en verwanten en 11 procent kevers — vliegen zijn er nauwelijks bij, ondanks de naam. Een val gaat een stuk of drie maaltijden mee.
Standplaats en ecologie
Natte savanne met langbladige den, en in het Sandhills-gebied de smalle kwelzones tussen beeklopen en droge zandruggen. De grond is zuur, zandig-veenachtig en permanent vochtig maar zelden overstroomd. De plant is volstrekt afhankelijk van brand: zonder een vuur om de paar jaar sluit het struweel zich en verdwijnt hij binnen tien jaar. Hij staat er tussen de zonnedauwen, trompetbekerplanten en blaasjeskruiden — in dit landschap staan vier van de vijf vangmechanismen naast elkaar in één handbreedte grond.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in de kustvlakte van oostelijk North Carolina en het noordoosten van South Carolina, met de grote populaties in de county's Brunswick, Pender en Onslow. Het hele natuurlijke areaal ligt op zeeniveau tot enkele tientallen meters. Daarbuiten is hij op verschillende plekken uitgezet en handhaaft hij zich lokaal: in de Panhandle van Florida, in New Jersey en op nog een handvol plaatsen; die vestigingen zijn geen natuurlijke verspreiding maar het werk van kwekers en liefhebbers.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
In het wild is de variatie beperkt tot de mate van roodkleuring en de vorm van de tanden, en die verschilt binnen één populatie al van plant tot plant; erkende variëteiten zijn er niet. De honderden namen die in de handel omgaan — geheel rode planten, planten met samengegroeide tanden, dwergen — zijn cultivars, in kweek geselecteerd of ontstaan uit weefselkweek. Ze horen bij een andere wereld dan deze gids en staan er daarom niet in.
Waar en wanneer te zien
Mei en juni: dan bloeit hij, en een witte bloem boven het gras is van veraf te zien terwijl de rozet zelf tussen de zeggen wegvalt. De plant is klein en staat laag — je vindt hem eerder op je knieën dan lopend. Ga naar een terrein dat beheerd wordt met vuur en waar de savanne open staat; verschillende reservaten en staatsparken rond Wilmington hebben er een gemarkeerd pad voor. Raak geen vallen aan om ze te laten dichtklappen: elke sluiting kost de plant energie die hij op arme grond niet over heeft.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar op de Rode Lijst en opgenomen in CITES bijlage II. De Amerikaanse telling van 2023 kwam uit op ruwweg 880.000 planten in alle populaties samen — veel meer dan eerdere schattingen, maar op een gebied dat in een eeuw sterk is gekrompen. De grootste bedreiging is niet de stroper maar het uitblijven van brand: zonder vuur groeit de savanne dicht. Daarnaast ontginning, wegonderhoud en drainage. Het uitgraven van wilde planten is in North Carolina sinds 2014 een misdrijf; de federale overheid besloot in 2023 de soort niet onder de Endangered Species Act te plaatsen.
Wetenschappelijke naam
Dionaea muscipula | Ellis, 1773
John Ellis beschreef de soort in 1773 in de Nova Acta Regiae Societatis Scientiarum Upsaliensis, nadat hij Linnaeus al in 1768 per brief over de plant had bericht en de Engelse naam 'Venus's Flytrap' had voorgesteld. De gouverneur van North Carolina, Arthur Dobbs, had de plant al in 1759 als eerste Europeaan beschreven. De typelocatie ligt in de kustvlakte van North en South Carolina, in de Verenigde Staten, binnen een straal van ongeveer honderd kilometer rond Wilmington. De geslachtsnaam Dionaea verwijst naar Dione, in de Griekse mythologie de moeder van Aphrodite en zelf ook een naam voor de godin — een toespeling op de aantrekkingskracht van de plant. De soortnaam muscipula is Latijn voor 'muizenval', hier toegepast op een plant die insecten vangt in plaats van muizen.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.