Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes rajah

Nepenthes rajah

Geen plant ter wereld maakt een grotere val. Een volgroeide onderbeker van deze soort is een emmer van veertig centimeter waar meer dan drie liter in gaat, en er zijn er gevonden met een verdronken rat in. Hij groeit op twee bergen in Sabah en nergens anders, op grond die zo verzadigd is van nikkel en chroom dat vrijwel niets anders het er uithoudt.

Nepenthes rajah
Foto: NepGrower~commonswiki — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes rajah — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: onbekend — Public domain · Wikimedia Commons
Nepenthes rajah — de bloem
De bloem · Foto: Denis Barthel — Public domain · Wikimedia Commons
Nepenthes rajah — de standplaats
De standplaats · Foto: JeremiahsCPs — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Natuurlijke hybriden

Nepenthes rajah — n. ×kinabaluensis — rajahs wijde, gapende beker met villosa's geribde rand
N. ×kinabaluensis — rajahs wijde, gapende beker met villosa's geribde rand · Foto: JeremiahsCPs — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een zware plant met een kruipende tot laag klimmende stengel van hooguit 6 m, tot 3 cm dik. De bladeren zijn leerachtig, tot ongeveer 80 cm lang, en schildvormig aangehecht: de rank ontspringt een paar centimeter onder de bladtop in plaats van aan het uiteinde, en haalt zelf zo'n 50 cm. Onderaan de plant staan de onderbekers op de grond, eivormig tot urnvormig, tot 41 cm hoog en 20 cm breed, van buiten purperrood en van binnen groen, met een breed uitgeslagen geribde rand waarvan de buitenzijde golft als een geschulpte kraag, en een groot ovaal deksel dat rechtop achterover staat. Bovenbekers zijn zeldzaam, want de stengel wordt zelden lang genoeg om ze te dragen: ze zijn trechtervormig, kleiner en feller gekleurd, en wie alleen die kent, herkent de plant op de grond niet terug. Nepenthes is tweehuizig — mannelijke en vrouwelijke bloemen staan op verschillende planten — en de bloeiwijze is een vertakte tros tot 80 en soms 120 cm hoog met bruingele bloempjes waarvan de kelkbladen tot 8 mm lang zijn.

Gelijkende soorten

Op dezelfde berghellingen staan meer bekerplanten, en die zijn van veraf niet uit elkaar te houden. Nepenthes villosa heeft kleinere bekers met een enorme, zwaar getande rand die als een schroefdraad naar binnen krult; N. burbidgeae is bleek met roodpaarse spikkels en heeft een veel smallere rand. Het echte probleem zijn de kruisingen: deze soort kruist met vrijwel elke bekerplant die naast hem staat, en N. × alisaputrana en N. × kinabaluensis hebben allebei iets van de geschulpte rand meegekregen. Bij twijfel telt de combinatie: een geschulpte, breed uitgeslagen rand op een beker van veertig centimeter is alleen van deze soort.

De val en hoe hij werkt

De beker is een klassieke valkuil — gladde randt, wasachtige binnenwand, verteringssap onderin — en het overgrote deel van de prooi bestaat gewoon uit insecten, vooral mieren. Wat de soort beroemd maakt is iets anders. Op de onderkant van het rechtopstaande deksel scheidt de plant nectar af, en de afstand van de bekermond tot die nectar komt precies overeen met de romplengte van de bergtoepaja Tupaia montana. Cameravallen op de berg legden vast wat daaruit volgt: de toepaja likt overdag aan het deksel en poept in de beker, en 's nachts doet de veel schuwere bergrat Rattus baluensis hetzelfde. De uitwerpselen leveren stikstof. Het bewijs is dus meetkundig (de beker past bij het dier), fotografisch (de dieren zijn erop betrapt) en scheikundig (de stikstof komt aantoonbaar mee) — geen anekdote. Eén andere bergsoort van Borneo, N. lowii, doet hetzelfde. De verdronken ratten die af en toe in een beker worden gevonden horen niet bij dit verhaal: dat zijn ongelukken.

Standplaats en ecologie

Bovenste bergwoud en de open, laagblijvende vegetatie daarboven, tussen 1500 en 2650 m. De soort staat uitsluitend op ultramafische bodem — serpentijngrond, rijk aan nikkel en chroom — en daarbinnen op de plekken waar grondwater uittreedt en de bodem los en permanent nat is. Die bodem is voor de meeste planten giftig, en dat is precies de winst: de concurrentie blijft weg. Hoog op de berg vriest het 's nachts bijna en komt de dagtemperatuur zelden boven de 25 graden, met wisselend felle zon, harde wind en dagenlange mist.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Borneo, en daarbinnen beperkt tot het massief van Kinabalu en de aangrenzende berg Tambuyukon in Sabah. Dat is het hele areaal: een handvol vierkante kilometers geschikte serpentijngrond op twee bergen. Buiten dat gebied is de soort nergens in het wild aangetroffen; wat er elders van rondgaat komt uit weefselkweek.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 2 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er is weinig te melden over vormen: binnen de populaties verschilt vooral de mate van roodkleuring en de vorm van de rand, en erkende variëteiten zijn er niet. Wat er wél is, zijn natuurlijke kruisingen — de soort kruist met bijna elke andere bekerplant op de berg, en stuifmeel blijkt tot zo'n tien kilometer ver te komen. Die hybriden zijn wild ontstaan en horen in het veldbeeld thuis; de vele namen die in de handel omgaan zijn dat niet.

Waar en wanneer te zien

Ga niet zoeken. De soort staat op enkele plekken op twee bergen, en die plekken worden om goede redenen niet rondverteld. Binnen het nationale park dat het bergmassief beslaat is één beheerd terrein waar bezoekers hem in zijn eigen omgeving te zien krijgen; vraag ernaar bij de parkingang en ga met een gids. Kijk naar de grond: de grote bekers staan laag, tussen mos en wortels, en het rechtopstaande deksel valt eerder op dan de beker zelf. Kijk niet in de beker met je hand erin — de rand is glad en het sap ruikt naar wat er in weken is verdronken.

Staat van instandhouding

Bedreigd op de Rode Lijst en, samen met N. khasiana, de enige bekerplant in bijlage I van CITES: handel in wilde planten is verboden, niet beperkt. Die zware status komt uit de jaren zeventig, toen stropers hele groeiplaatsen leeghaalden; de CITES-vermelding volgde in 1981. Sindsdien is de druk verschoven. Weefselkweek heeft de plant goedkoop gemaakt, waardoor het stropen grotendeels is opgehouden, en de grootste bedreiging is nu schade aan de groeiplaats zelf plus droogte: de El Niño van 1997/98 sloeg diepe gaten in de bekerplanten van de berg. In Sabah is de soort daarnaast beschermd onder de eigen natuurwetgeving.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes rajah | J.D. Hooker, 1859

Nepenthes rajah werd in 1859 beschreven door Joseph Dalton Hooker, in The Transactions of the Linnean Society of London. Hugh Low verzamelde het eerste exemplaar in 1858 op de berg Kinabalu, dat Hooker vervolgens voor de formele beschrijving gebruikte. De bergen Kinabalu en Tambuyukon, Sabah, Maleisisch Borneo — dezelfde bergen als eerdere soorten in deze reeks, waaronder N. lowii (golf 26) en N. edwardsiana (golf 21). De soort is vernoemd naar James Brooke, de eerste "Witte Radja" van Sarawak; "rajah" betekent "koning" in het Maleis. Deze naam, gecombineerd met de indrukwekkende bekergrootte van de plant, leverde haar de bijnaam "Koning der Nepenthes" op.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.