Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes khasiana

Nepenthes khasiana

De enige bekerplant van India, en van het hele geslacht degene die het verst naar het westen komt: alles wat verder oostelijk ligt hoort bij een andere wereld. Hij groeit in de heuvels van het noordoosten, waar het in de moesson maandenlang doorregent, en heeft daar namen gekregen die zeggen wat men van hem vond — tiew-rakot bij de Khasi, duivelsbloem, en memang-koksi bij de Garo, de mand van de duivel.

Nepenthes khasiana
Foto: Parthaprotimborah.123 — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes khasiana — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Rohit Naniwadekar — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een klimplant die met een houtige stengel door struweel en bosrand omhoog werkt; jonge planten blijven jarenlang een rozet op de grond. De bladeren zijn langwerpig tot lancetvormig en lopen aan beide einden smal toe. Onderaan de plant hangen de onderbekers vlak boven de grond: buikig aan de voet, cilindrisch daarboven, groen met roodpaarse spikkels of vlekken, met een smalle geribde rand en twee gefranjerde vleugels langs de voorzijde. Bovenin ziet het er heel anders uit — de bovenbekers zijn slank, trechter- tot buisvormig, bleker, en de vleugels zijn tot twee lijsten teruggebracht; wie alleen die kent, loopt langs de bekers op de grond heen. Het deksel is rond tot eivormig en dekt de opening af. Nepenthes is tweehuizig: er zijn mannelijke en vrouwelijke planten, en aan één plant zul je nooit beide bloemen zien.

Gelijkende soorten

Verwarring met een andere bekerplant is in het veld uitgesloten, want er is er geen: dit is de enige Nepenthes van het Indiase subcontinent, en de dichtstbijzijnde soortgenoot staat ver naar het oosten. Wat wél verwarring geeft zijn gekweekte planten. In tuinen en langs wegen in de regio staan tegenwoordig Zuidoost-Aziatische soorten en kruisingen, en die zijn aan de rand en het deksel te scheiden van de wilde plant. En een jonge rozet zonder bekers is in het gras van elke andere kruidachtige plant nauwelijks te onderscheiden.

De val en hoe hij werkt

Een gewone valkuil, en een doeltreffende: de rand is bij nat weer glad, de bovenste binnenwand draagt een waslaag waar poten geen grip op krijgen, en onderin staat een zure vloeistof met verteringsenzymen. De vangst bestaat vrijwel geheel uit insecten, met mieren, vliegen en kevers voorop. In elke beker leeft daarnaast een klein gezelschap dieren dat er juist gedijt — muggenlarven, vliegenlarven, mijten — en dat de prooi mee helpt afbreken. Anders dan bij sommige verwanten is er bij deze soort geen aanwijzing dat er iets anders dan dieren op het menu staat. De vloeistof uit ongeopende bekers wordt in de streek al lang als medicijn gebruikt, en dat is een van de redenen dat de plant wordt geplukt.

Standplaats en ecologie

Open hellingen en bosranden in de subtropische heuvels, ruwweg tussen 500 en 1500 m. De grond is arm, zuur en zandig tot lateritisch, en de plant zoekt de plekken waar water uittreedt of blijft staan: greppelkanten, natte graslandjes, drassige plekken in open struweel. Hij houdt van licht en verdwijnt zodra er bos overheen groeit; tegelijk verdraagt hij geen omgewerkte of bemeste grond. Uit onderzoek in Meghalaya komt een duidelijke voorkeur naar voren voor hellingen die naar het noordwesten kijken, waar het langer vochtig blijft.

Verspreiding en hoogte

De heuvels van Noordoost-India: de Khasi-, Jaintia- en Garoheuvels in Meghalaya, met verspreide vindplaatsen in aangrenzend Assam en Nagaland, en verder in het grensgebied met Bangladesh. Het zijn geen aaneengesloten populaties maar losse groeiplaatsen op onderling ver uit elkaar liggende heuvelruggen. Daarbuiten komt de soort in het wild niet voor.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 6 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er is weinig vormvariatie vastgelegd. Wat er verschilt — de mate van roodpaarse spikkeling op de beker, de breedte van de rand — verschilt binnen één groeiplaats al van plant tot plant, en erkende variëteiten of natuurlijke kruisingen zijn er niet: er is nu eenmaal geen tweede soort in de buurt om mee te kruisen. Dat is meteen een zwakte, want de overgebleven groeiplaatsen zijn klein en van elkaar afgesneden, en genetisch onderzoek laat weinig verschil tussen de populaties zien.

Waar en wanneer te zien

Kijk in het natte seizoen, wanneer de bekers vol en fris zijn; aan het eind van de droge maanden zijn de meeste verdroogd. De plant staat op open, hellend terrein aan de rand van het bos en langs greppels — laag zoeken dus, niet in de boomkruinen. Vrijwel alle wilde groeiplaatsen liggen op gemeenschapsgrond van de dorpen; vraag toestemming en ga met iemand uit het dorp mee. Er zijn daarnaast beheerde percelen en botanische tuinen in de regio waar de soort te zien is zonder een wilde groeiplaats te belasten. Pluk niets en tap geen bekervocht af.

Staat van instandhouding

Bedreigd op de Rode Lijst en, samen met N. rajah, de enige bekerplant in bijlage I van CITES: internationale handel in wilde planten is verboden. De reden is de optelsom van een klein areaal en veel druk. Steenkoolwinning en de zure afvloeiing daarvan hebben hele heuvels onbewoonbaar gemaakt; daarnaast kalksteengroeven, wegenaanleg, brand en omzetting naar landbouw. En de plant zelf wordt geplukt, voor de handel in sierplanten en voor het bekervocht als medicijn. Wat rest zijn kleine, versnipperde groeiplaatsen die elk afzonderlijk kwetsbaar zijn.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes khasiana | J.D. Hooker, 1873

Nepenthes khasiana werd in 1873 beschreven door Joseph Dalton Hooker, in zijn monografie "Nepenthaceae" (Prodromus Systematis Naturalis Regni Vegetabilis). De soort komt in geïsoleerde populaties voor in onder meer het Jarain-gebied van de Jaintia Hills, het Baghmara-gebied van de Garo Hills (naast de Khasi Hills in Meghalaya), het Upper Kharthong-gebied in het district Dima Hasao (Assam) en delen van Nagaland, India; de Khasi Hills zelf gelden als de voornaamste en naamgevende vindplaats. De naam is afgeleid van de Khasi Hills, het gebied in het noordoosten van India waartoe de soort grotendeels endemisch is.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.