Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes ampullaria
Nepenthes ampullaria
Een bekerplant die grotendeels van bladafval leeft. Dat klinkt als een tegenspraak, en dat is het bijna: van alle soorten in deze gids is dit degene die het dichtst bij de grens loopt tussen vleeseter en gewone plant. Hij haalt hem net, en juist daarom staat hij erin — hij laat zien waar de grens ligt.



Natuurlijke hybriden

Herkenning
Zoek niet omhoog maar omlaag. De opvallendste bekers van deze soort staan niet aan de klimmende stengel maar op de bodem: uit ondergrondse uitlopers en scheuten aan de voet van de plant komen dichte matten van kleine, gedrongen kruikjes die soms vierkante meters bosbodem bedekken. Ze zijn zelden hoger dan 10 cm en breder dan 7 cm, en lopen in kleur uiteen van geheel lichtgroen tot geheel donkerrood, met alles daartussen in één mat. Kenmerkend is het deksel: heel klein en naar buiten weggeklapt, zodat het de opening juist níet afdekt. De rand is sterk naar binnen gekruld. Bovenaan is het een andere plant: de lichtbruine stengel klimt tot 15 m, draagt bladeren tot 25 cm lang en 6 cm breed, en maakt maar zelden bovenbekers, die dan nog kleiner zijn dan de grondbekers. De bloeiwijze is een dichte pluim in plaats van de tros die de meeste soorten hebben; Nepenthes is tweehuizig, dus mannelijke en vrouwelijke pluimen staan op verschillende planten.
Gelijkende soorten
Geen andere bekerplant maakt matten van gedrongen kruikjes over de bosbodem, en het weggeklapte dekseltje is op zichzelf al doorslaggevend. Lastiger zijn de kruisingen, want de soort kruist met vrijwel alles waar hij naast staat: met N. rafflesiana geeft dat N. × hookeriana, met N. gracilis een andere kruising, en er zijn er meer dan tien beschreven. Bij een kruising is het deksel altijd groter en dekt het de mond wel af, en de bekers zijn slanker en hoger. Kijk ook naar de bloeiwijze: een dichte pluim wijst op deze soort of een kruising ermee.
De val en hoe hij werkt
Hier zit de aardigheid. Het weggeklapte deksel laat regen en bladafval rechtstreeks de beker in vallen, en de matten staan precies daar waar het afval van de kroon terechtkomt. Bacteriën en muggenlarven breken dat blad af en de plant neemt de stikstof op die daarbij vrijkomt. Hoeveel dat is, is gemeten: een onderzoek uit 2003 kwam voor planten onder gesloten kroondak op 35,7 procent van de stikstof in het blad uit bladafval, en later werk kwam nog hoger uit — ruim 40 procent in het blad en bijna 55 procent in de beker zelf. Ook de bouw wijst die kant op: het deksel mist de nectarklieren waarmee andere soorten insecten lokken. Toch is dit geen plant die het vleeseten heeft opgegeven. Het hele apparaat staat er nog en werkt: gladde rand, wasachtige binnenwand, klieren die verteringssap afscheiden, en insecten worden wel degelijk gevangen en verteerd. Wat hij heeft gedaan is er een tweede inkomstenbron bij nemen, in een bos waar bladafval eindeloos is en insecten schaars. Vandaar zijn plaats in deze gids: het grensgeval dat laat zien dat de val het criterium is, niet het menu.
Standplaats en ecologie
Vochtig, schaduwrijk laaglandbos: heidebos op wit zand (kerangas), veenmoerasbos en aangetast moerasbos, en op Nieuw-Guinea ook araucariabos. Hij staat er in de schaduw, niet in de zon, en juist daar waar het bladafval zich ophoopt. Van zeeniveau tot 2100 m, maar het zwaartepunt ligt laag: op Borneo blijft hij vrijwel geheel beneden de 1000 m.
Verspreiding en hoogte
Wijd verspreid over het natte deel van Zuidoost-Azië en verder: Thailand, het Maleisisch schiereiland, Sumatra, Borneo, de Molukken en Nieuw-Guinea, plus een groot aantal kleinere eilanden daartussen. Dat is het ruimste areaal van de vier bekerplanten in deze gids, en het verklaart waarom hij plaatselijk in aantallen staat waar zeldzamere soorten met een handvol planten toe moeten.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
De variatie zit vrijwel geheel in de kleur van de beker, en die loopt binnen één mat al van lichtgroen tot bijna zwartrood; erkende variëteiten zijn er niet, en de kleurnamen die in de handel rondgaan zijn cultivars. Wat wél in het wild te zien is, zijn kruisingen: er zijn er ruim een dozijn beschreven, met onder meer N. rafflesiana, N. gracilis, N. mirabilis en N. bicalcarata. Ze staan gewoon tussen de ouders in en zijn aan het grotere deksel te herkennen.
Waar en wanneer te zien
Kijk naar beneden. Deze soort wordt over het hoofd gezien omdat men bekerplanten in de bomen zoekt terwijl de matten onder het bladafval liggen; strijk met de hand over de strooisellaag langs een bospad in veenmoeras- of heidebos en de kruikjes komen tevoorschijn. Het hele jaar door te vinden. Kijk in de bekers zonder ze los te trekken: er zit vaak een complete gemeenschap in, van muggenlarven tot een van de kleinste kikkers van de Oude Wereld, die er zijn kikkervisjes in grootbrengt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd op de Rode Lijst en, als alle bekerplanten, opgenomen in CITES bijlage II. Dat oordeel steunt op het grote areaal en op de aantallen: waar hij staat, staat hij vaak in matten. Maar het bos waarin hij staat verdwijnt hard. Veenmoerasbos en heidebos in Borneo en Sumatra worden ontwaterd, gekapt, gebrand en omgezet naar plantages, en op zulke plekken verdwijnt hij mee. Een soort kan wijdverbreid en tegelijk plaatselijk uitgeroeid zijn; dat is hier het geval.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes ampullaria | Jack, 1835
Beschreven door William Jack in 1835. De soort komt voor op Borneo, Sumatra en het Maleisisch Schiereiland. De naam komt van het Latijn ampulla (fles, kruik) en verwijst naar de kolfvormige bekers van deze soort.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.