Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera stenopetala

Drosera stenopetala

Drosera stenopetala is een van de zuidelijkst groeiende zonnedauwsoorten ter wereld en behoort tot een eigen, oude tak van het geslacht. De soort is endemisch in Nieuw-Zeeland en reikt tot op de sub-Antarctische Auckland Islands en Campbell Island. De soortnaam betekent 'met smalle kroonbladen'. Samen met D. arcturi en de Tasmaanse D. murfetii vormt hij het ondergeslacht Arcturia.

Drosera stenopetala
Foto: No machine-readable author provided. Denis Barthel assumed (based on copyright claims). — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een rozet op een korte wortelstok die bekleed is met de resten van oude bladvoeten. De bladeren hebben geen steunblaadjes; ze bestaan uit een kale bladsteel tot 5 cm en een smalle, spatelvormige schijf tot 2 cm lang en 5 mm breed, bezet met gesteelde klieren. Elke plant draagt één witte bloem op een kale steel tot 20 cm. De kelk is vijfslippig met afgeronde slippen van ongeveer 3,5 mm; de kroonbladen zijn wigvormig tot omgekeerd eirond en tot 1 cm lang. Er zijn drie stijlen, elk veelvuldig gedeeld. De doosvrucht is ongeveer 7 mm lang.

Gelijkende soorten

De enige echte verwisselaar is Drosera arcturi, die in hetzelfde berggebied en dezelfde venen groeit. Die heeft riemvormige bladeren zonder duidelijke scheiding tussen steel en schijf, terwijl D. stenopetala een duidelijke, kale steel en een afgezette spatelvormige schijf heeft. D. spatulata, die in het laagland van Nieuw-Zeeland voorkomt, heeft een platte rozet met korte stelen en meerdere kleine bloemen per stengel. D. auriculata heeft halvemaanvormige, schildvormige blaadjes aan een rechtopstaande stengel.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval. De gesteelde klieren op de smalle schijf scheiden een kleverig slijm af waarin kleine vliegen en muggen van het veen blijven vastzitten; de tentakels buigen naar de prooi en de klieren verteren haar. In de koele, natte en uiterst voedselarme venen van het hooggebergte en de sub-Antarctische eilanden is die extra stikstof van groot belang.

Standplaats en ecologie

Montane tot subalpiene veenmosvenen (W1), bergmeertjes en poelen (W6) en de randen van langzaam stromende beken (W4); in het zuiden daalt de soort af tot zeeniveau. Hij is een obligate wetlandplant die vrijwel nooit buiten natte standplaatsen voorkomt. De zeer kleine zaden worden door de wind verspreid.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in Nieuw-Zeeland: het Noordereiland (ongewoon, in de centrale bergketens en op het vulkanisch plateau en zuidelijker), het Zuidereiland, Stewart Island/Rakiura en de sub-Antarctische Auckland Islands en Campbell Island/Motu Ihupuku. De gebiedsomschrijving 'Nieuw-Zeeland en omliggende (sub-Antarctische) eilanden' klopt. Exacte hoogtegrenzen zijn in de geraadpleegde bronnen niet gepubliceerd; het hoogteveld blijft leeg.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 68 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten onderscheiden. De soort werd door Joseph Dalton Hooker beschreven. Het ondergeslacht Arcturia omvat drie soorten van het zuidelijke Australazië, die zich onderscheiden van de meeste andere zonnedauwsoorten; de verwantschap met D. arcturi komt tot uitdrukking in de gedeelde standplaats en de groeiwijze met een korte wortelstok.

Waar en wanneer te zien

Zoek in de Nieuw-Zeelandse zomer, december tot februari, in open veenmosvenen en rond bergmeertjes in de subalpiene zone van het Zuidereiland, bijvoorbeeld langs gemarkeerde wandelroutes met loopplanken. De witte bloemen met hun smalle kroonbladen staan op lange stelen boven het mos en zijn het eerste wat opvalt. Blijf op de loopplanken: subalpiene venen herstellen uiterst langzaam van betreding. De soort is moeilijk te kweken en mag niet uit het wild worden verzameld.

Staat van instandhouding

Op de IUCN-Rode Lijst staat de soort als Niet bedreigd (LC); hij staat niet in CITES. In Nieuw-Zeeland geldt hij volgens de beoordeling van 2023 als 'Not Threatened', een status die sinds ten minste 2004 ongewijzigd is. Veel groeiplaatsen liggen in afgelegen berggebieden en op beschermde sub-Antarctische eilanden. Op de langere termijn kan klimaatverandering de koude, natte venen aantasten.

Wetenschappelijke naam

Drosera stenopetala | J.D. Hooker, 1853

Drosera stenopetala werd in 1852 beschreven door de Britse botanicus Joseph Dalton Hooker, in The Botany of the Antarctic Voyage of H.M. Discovery Ships Erebus and Terror, deel 1 (Flora Novae-Zelandiae), p. 19, tab. 9. Het typemateriaal werd verzameld in Nieuw-Zeeland door David Lyall, met als vindplaats "Preservation" (vermoedelijk Preservation Inlet, in het zuidwesten van het Zuidereiland); het holotype (K000659200) wordt bewaard in de Royal Botanic Gardens, Kew. Een exacte verzameldatum kon niet met zekerheid worden achterhaald. De soortsaanduiding stenopetala is samengesteld uit het Grieks stenos ("smal") en petalon ("bloemblad"), en betekent dus "met smalle kroonbladen". De naam wordt in de literatuur als enigszins misleidend omschreven, omdat de kroonbladen van deze soort in werkelijkheid vrij breed zijn.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.