Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera sulphurea

Drosera sulphurea

Een klauterende knolzonnedauw met zwavelgele bloemen van de zuidkust van West-Australië, waar hij vaak groeit tussen de Albany-bekerplant, Cephalotus follicularis. Drosera sulphurea heeft een woelige naamsgeschiedenis: anderhalve eeuw lang werd hij als variëteit of synoniem van een andere soort beschouwd, tot Allen Lowrie hem in 1999 in ere herstelde.

Drosera sulphurea
Foto: Keith Morris — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een klauterende meerjarige knolplant met stengels van 40 tot 60 cm, waarlangs kleine, schildvormige vangbladeren staan. De bloemen zijn geel — de soortnaam betekent 'zwavelkleurig' — en verschijnen in september. Nauwkeurige blad- en bloemmaten zijn in de geraadpleegde bronnen niet gepubliceerd.

Gelijkende soorten

Drosera subhirtella klimt eveneens en bloeit ook geel, maar blijft kleiner (tot 40 cm) en groeit op een bredere reeks standplaatsen; Lowrie beschouwt beide slechts als verwanten op afstand. Drosera neesii, waarmee D. sulphurea lang werd samengevoegd, is de andere voor de hand liggende verwisseling; het verschil is in de geraadpleegde bronnen niet uitgewerkt. De standplaats aan de kust, tussen Cephalotus, is een goede aanwijzing.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval, maar dan hoog boven de grond. De bladeren langs de stengel zijn klein, schildvormig en vaak komvormig, met langere tentakels langs de rand en kortere op de schijf. Vliegende insecten — muggen, kleine vliegen, soms bijen of vlinders die op de bloemen afkomen — raken de druppels en blijven hangen. De randtentakels buigen daarna naar binnen en het schijfje sluit zich deels om de prooi, waarna de klieren enzymen afscheiden en de opgeloste voedingsstoffen opnemen. Doordat de vallen verspreid langs een rechtopstaande of klimmende stengel zitten, bestrijkt de plant een veel groter luchtruim dan een rozet aan de grond.

Standplaats en ecologie

Zandige leem in kustgebieden (D1), in heide en struweel (B5), vaak tussen Cephalotus. Dat gezelschap wijst op vochtige, venige plekken: de Albany-bekerplant groeit langs sijpelzones en in natte laagten (W4).

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor West-Australië, in de kustgebieden van het zuidwesten. Een nadere arealgrens is in de geraadpleegde bronnen niet gegeven. Hoogtegrenzen zijn niet gepubliceerd.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 25 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Johann Georg Christian Lehmann beschreef de soort in 1844. George Bentham bracht haar in 1864 terug tot variëteit van D. neesii, en N.G. Marchant voegde haar in 1982 geheel bij die soort. Allen Lowrie herstelde D. sulphurea in 1999 als zelfstandige soort. Oudere flora's kunnen de plant dus onder D. neesii vermelden.

Waar en wanneer te zien

September, bij zon, als de gele bloemen open staan. Zoek in de kustheide van het zuidwesten, en vooral op plekken waar ook Cephalotus groeit — twee vleesetende planten naast elkaar. Die plekken zijn vaak nat en kwetsbaar; blijf op paden en raak niets aan.

Staat van instandhouding

Op de IUCN-Rode Lijst als niet bedreigd (LC) beoordeeld; niet in CITES. De geraadpleegde bronnen noemen geen specifieke bedreigingen. De kustgebieden van het zuidwesten staan wel onder druk door bebouwing, wortelrot en een veranderd brandregime.

Wetenschappelijke naam

Drosera sulphurea | Lehmann, 1844

Drosera sulphurea werd in 1844 beschreven door de Duitse botanicus Johann Georg Christian Lehmann, in Novarum et Minus Cognitarum Stirpium Pugillus, deel 8, p. 43 (in sommige bronnen als p. 37 aangehaald). De precieze typelocatie en verzamelgegevens konden niet met zekerheid worden achterhaald. De soort is endemisch in West-Australië. De naam sulphurea is Latijn voor "zwavelkleurig, zwavelgeel" en verwijst rechtstreeks naar de zwavelgele bloemen van deze soort.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.