Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera ultramafica
Drosera ultramafica
Een zonnedauw die alleen op ultramafisch gesteente groeit — de zware, aan magnesium, ijzer en nikkel rijke bodems die ontstaan waar oude oceaankorst aan het oppervlak ligt. Drosera ultramafica werd in 2011 beschreven door Andreas Fleischmann, Alastair Robinson en Stewart McPherson, in het tijdschrift Blumea, op basis van planten van de bergen van Borneo en de Filipijnen. De soort is een voorbeeld van hoe de ultramafische eilanden in Maleisië hun eigen, gespecialiseerde flora dragen, net als bij de bekerplanten die daar op dezelfde hellingen staan.

Herkenning
Een overblijvende rozet uit de verwantschap van Drosera spatulata, met spatelvormige bladeren die met rode tentakels bezet zijn en bloemstengels die uit het hart van de rozet opstijgen. De beschrijvers onderscheiden de soort van haar naaste verwanten vooral op de groeiwijze, de voorkeur voor ultramafische hooglandstandplaatsen en enkele morfologische details die in de oorspronkelijke publicatie staan. Die publicatie kon voor deze gids niet worden ingezien; maten en bloemkleur zijn daarom niet ingevuld.
Gelijkende soorten
De naaste verwanten zijn volgens de beschrijvers Drosera spatulata, D. neocaledonica en D. oblanceolata. Van D. spatulata, die in dezelfde regio wijdverbreid is in het laagland, onderscheidt D. ultramafica zich door groeiwijze en standplaats; de andere twee zijn duidelijk verschillend van bouw en komen bovendien in andere gebieden voor (Nieuw-Caledonië en Zuid-China). Wie in Maleisië een zonnedauw op serpentijngesteente in de bergen vindt, heeft dus goede kans op deze soort, maar zekerheid vraagt de details uit de beschrijving.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval. De rode tentakels op de spatelvormige bladschijf dragen druppels kleverig slijm; kleine insecten die erop landen, blijven vastzitten, waarna de tentakels zich naar de prooi toe buigen en de klieren verteringsenzymen afscheiden. Op de open, voedselarme ultramafische hellingen is de extra stikstof en fosfor uit de vangst des te waardevoller: de bodem is er niet alleen arm, maar ook giftig voor veel planten door het hoge gehalte aan nikkel en magnesium.
Standplaats en ecologie
Open, natte plekken op ultramafisch gesteente in het bergland: kale of schaars begroeide serpentijnbodems (R4) en vochtige rotsjes en hellingen waarover water sijpelt (R1), vaak in het open struweel en de dwergvegetatie die op deze bodems de plaats van bos inneemt. De beschrijvers noemen expliciet de voorkeur voor 'mafische, hoger gelegen standplaatsen'. Een precieze hoogtezone kon niet worden nagegaan.
Verspreiding en hoogte
Maleisië in ruime zin: het noorden van Borneo (Sabah), de Filipijnen (waaronder Mindanao en Palawan), Sulawesi en Sumatra, overal op ultramafisch gesteente. De soort komt dus niet op één berg voor, maar volgt een eilandenrijk van losse serpentijngebieden. Een gepubliceerd hoogtebereik is niet gevonden; het hoogteveld blijft leeg.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten onderscheiden. Omdat de soort op afzonderlijke, ver uit elkaar liggende serpentijnmassieven groeit, is het goed mogelijk dat populaties op verschillende eilanden onderling verschillen; genetisch onderzoek daarnaar is, voor zover na te gaan, niet gepubliceerd.
Waar en wanneer te zien
De standplaatsen liggen in afgelegen bergland, vaak alleen te voet en met een gids bereikbaar, en een deel ligt in nationale parken waar een vergunning nodig is. Zoek op open, natte plekken in het serpentijnstruweel, langs paden die over kaal gesteente lopen. De rozetten vallen het best op bij zijlicht, als de druppels oplichten.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. De ultramafische gebieden van Maleisië staan onder druk van nikkel- en chroommijnbouw, en een aantal van de bergen waar de soort groeit, is daar al door aangetast; tegelijk liggen belangrijke groeiplaatsen in beschermde gebieden. Omdat de soort zo aan dit gesteente gebonden is, kan hij niet uitwijken naar andere bodems.
Wetenschappelijke naam
Drosera ultramafica | Fleischmann, Robinson & McPherson, 2011
Drosera ultramafica werd in 2011 beschreven door Andreas Fleischmann, Alastair S. Robinson en Stewart McPherson (samen met V. Heinrich, E. Gironella en D.A. Madulid), gepubliceerd in Blumea, deel 56(1), pagina's 10-15. De soort komt voor in de hooglanden van Malesië (Filipijnen/Borneo-regio); een precieze typelocatie met verzamelaar en datum kon niet met zekerheid worden achterhaald. De naam ultramafica verwijst naar het ultramafische (magnesium- en ijzerrijke) gesteente van de hooglandbodems in Malesië waarop deze soort van nature groeit — een beschrijvende naam ontleend aan het geologische substraat van de standplaats.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.