Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera xerophila

Drosera xerophila

Een zonnedauw die het tegen de regel in droog houdt. Drosera xerophila — 'droogteminnend' — werd pas in 2018 door Andreas Fleischmann beschreven, uit de kustbergen van de Overberg in de Westkaap. Waar bijna alle Kaapse rozetzonnedauwen in sijpelplekken staan, groeit deze in spleten van zandsteen en op goed doorlatend zand in de fynbos.

Drosera xerophila
Foto: eugenevs — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een kleine, vlakke rozet van 20 tot 50 mm doorsnede en tot 20 mm hoog. De bladeren zijn 7 tot 15 mm lang, aan de voet 2 tot 3,5 mm breed en naar de top verbreed tot 5 tot 10 mm; de bladsteel is 3 tot 10 mm lang en verbreedt geleidelijk. De tentakels zijn ongeveer 0,8 tot 1 mm lang, de steunblaadjes 5 tot 6 mm. De bloemsteel wordt 100 tot 200 mm lang en draagt bloemen van ongeveer 20 mm doorsnede, met lichtroze tot violetroze kroonbladen van 10 tot 12 mm. Kelkbladen 3 tot 4 mm, meeldraden ongeveer 4 mm, zaden 1 tot 1,2 mm.

Gelijkende soorten

Drosera esterhuyseniae staat vaak op dezelfde plekken, maar heeft smallere, meer opgerichte bladeren. Drosera aliciae var. curviscapa varieert van olijfgroen tot rood en heeft geen duidelijk zichtbare bladsteel. Ook D. glabripes komt vaak samen met D. xerophila voor, maar vormt verlengde, opgaande stengels. De droge standplaats zelf is misschien het beste veldkenmerk.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval zoals bij alle zonnedauwen: gesteelde klieren met kleverige druppels houden kleine insecten vast, waarna tentakels naar de prooi buigen en verteringsenzymen worden afgescheiden. Opvallend is dat de plant zijn druppels op een relatief droge standplaats in stand houdt; hij groeit in de natte winter, wanneer ook de zandsteenspleten vochtig zijn.

Standplaats en ecologie

Zonnige plekken in zandsteenfynbos: spleten in zandsteenrots en goed doorlatend, licht vochtig zand (D2, R3, B5). De soort groeit in de winter; in de zomer, als hij bloeit, is de bodem al opgedroogd.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor de kustbergen van het district Overberg in de Westkaap: van de Hottentots-Hollandbergen tot het Kogelberggebied bij Kleinmond, algemeen in het Kleinriviergebergte bij Hermanus en oostwaarts tot in het Napiergebergte. Hoogtegrenzen zijn in de geraadpleegde bron niet opgegeven.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 2 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

De soort is in 2018 beschreven in Willdenowia, samen met een overzicht van alle rozetvormende zonnedauwen van de Westkaap. Daarvoor werden deze planten waarschijnlijk tot andere soorten van het D. aliciae-complex gerekend. Variëteiten zijn niet bekend.

Waar en wanneer te zien

Wandel in de Overbergbergen, bijvoorbeeld rond Hermanus, over rotsige zandsteenhellingen en kijk in de spleten van de rots in plaats van in de natte plekken. De bloei valt in de zomer, van december tot februari.

Staat van instandhouding

Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en niet opgenomen in CITES; het veld hierboven staat daarom op NE. Op de nationale Rode Lijst van Zuid-Afrika (SANBI) staat de soort als Near Threatened (gevoelig). Het areaal is klein; te frequente branden, verstruiking door uitheemse bomen en uitbreiding van bebouwing langs de kust zijn mogelijke bedreigingen.

Wetenschappelijke naam

Drosera xerophila | Fleischmann, 2018

Drosera xerophila werd in 2018 beschreven door Andreas Fleischmann, gepubliceerd in Willdenowia, deel 48(1), pagina 94. De soort is inheems in Zuid-Afrika; een precieze typelocatie met verzamelaar en verzameldatum kon niet met zekerheid worden achterhaald. De naam xerophila is samengesteld uit het Grieks "xēros" (droog) en "philos" (liefhebbend) en betekent "droogteminnend" — een beschrijvende verwijzing naar de voorkeur van deze soort voor drogere standplaatsen, in overeenstemming met de Engelse bijnaam "dryland sundew".

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.