Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes albomarginata

Nepenthes albomarginata

Onder de mond van de beker loopt een smalle, glanzend witte band, alsof iemand er met krijt een streep heeft gezet. Die band is geen versiering maar aas. Hij bestaat uit korte haartjes die termieten eten, en Nepenthes albomarginata is daarmee de enige plant die bekend is die een deel van zijn eigen weefsel als lokaas aanbiedt. De soort vangt vrijwel uitsluitend termieten, soms tientallen per minuut, wanneer een foeragerende kolonne langs de beker trekt. Dat maakt hem tot een van de meest gespecialiseerde vleeseters van het geslacht.

Nepenthes albomarginata
Foto: JeremiahsCPs — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes albomarginata — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Vincent Bazile — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes albomarginata — de standplaats
De standplaats · Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een klimmer tot 2 m en soms tot 10 m hoog, met ronde stengels van 3 tot 5 mm dik. De bladeren zijn leerachtig en zittend; die aan de basis zijn 20 tot 36 cm lang en 2 tot 3,5 cm breed, die aan klimstengels kleiner, 7 tot 17 cm lang. De hele plant is bedekt met korte witte stervormige haartjes, die aan de onderkant van de bladeren langer zijn. De onderbekers zijn 8,5 tot 15 cm hoog, onderaan bol tot 6 cm breed en naar boven cilindrisch, met twee gefranjerde vleugels tot 6 mm breed. De bovenbekers zijn cilindrisch tot trechtervormig, 7,5 tot 12 cm hoog, met in plaats van vleugels twee smalle richels. Het peristoom is smal, ongeveer 1 mm, fijn en dicht geribd. De bekers zijn groen, rood of groen met rood gevlekt, altijd met de glanzend witte band direct onder de mond.

Gelijkende soorten

Het enige kenmerk dat je nodig hebt, is de witte band: geen andere laaglandsoort in het gebied heeft zo’n dichte, heldere zone van haartjes direct onder het peristoom. Nepenthes gracilis, die vaak in hetzelfde kerangas staat, heeft vergelijkbaar smalle bekers maar geen witte band, een haarfijn peristoom en driekantige stengels. Na een grote termietenvangst kan de band wel verdwenen zijn, omdat de dieren de haren hebben weggevreten; kijk dan naar de rest van de plant, die met zijn witte beharing en leerachtige, zittende bladeren eveneens herkenbaar is. Natuurlijke hybriden kunnen de witte band gedeeltelijk erven.

De val en hoe hij werkt

Een bekerval die zich richt op één soort prooi. Merbach en collega’s beschreven in 2002 in Nature hoe de band van witte haartjes termieten van het geslacht Hospitalitermes aantrekt. Deze termieten foerageren in lange kolonnes op mossen, korstmossen en algen; als ze op de beker stuiten, beginnen ze de haren af te grazen, en daarbij vallen veel werksters en soldaten in de beker — in waarnemingen meer dan twintig per minuut. Na zo’n bezoek zijn de haren op en is de beker vol termieten. Er was geen aanwijzing voor geurlokking over afstand: het contact leek toeval, en een beker vangt dus vaak lange tijd niets en dan in één keer een enorme hoeveelheid. Verder werkt de val zoals gebruikelijk, met een nat, glad peristoom en onderin een vloeistof met verteringsklieren.

Standplaats en ecologie

Vooral kerangas: heidebos op arme, zure zandgrond in het laagland, maar ook bergbos op lage hoogte en blootgestelde bergruggen, en plaatselijk op veen en kalksteen (B3, B5, R2). De soort staat van zeeniveau tot ongeveer 1100 m. Hij houdt van licht en groeit langs bosranden en in open, struikachtige vegetatie, vaak tussen Nepenthes gracilis en andere laaglandsoorten. Op eilandjes voor de kust groeit hij ook dicht bij zee.

Verspreiding en hoogte

Sumatra, het Maleisisch schiereiland en Borneo, met de eilanden Nias en Penang; in Singapore komt hij niet voor. Het verspreidingsgebied loopt van zeeniveau tot ongeveer 1100 m. Thomas Lobb verzamelde de eerste exemplaren in 1848, en John Lindley beschreef de soort een jaar later; de naam komt van het Latijnse albus, wit, en marginatus, gerand.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 29 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten erkend, maar de kleur loopt sterk uiteen. Planten met groene, rode en zwaar rood tot bijna zwart gevlekte bekers staan soms naast elkaar; die kleurvormen zijn in de hobby populair maar worden botanisch niet onderscheiden. Natuurlijke hybriden zijn er met een lange reeks soorten, waaronder N. ampullaria, N. gracilis, N. rafflesiana en N. reinwardtiana, de laatste bekend als Nepenthes × ferrugineomarginata. Met N. northiana vormt hij het zeldzame Nepenthes × cincta, dat op kalksteen bij Bau in Sarawak is gevonden.

Waar en wanneer te zien

Zoek in kerangas op Borneo of het Maleisisch schiereiland, of op de begroeide toppen van lage heuvels. De witte band valt al van een paar meter afstand op, vooral bij rode bekers. Wie geluk heeft, treft een kolonne termieten op een beker; kijk dan naar het peristoom om te zien hoe ze grazen en vallen. Nationale parken met kerangas op Borneo, zoals Bako in Sarawak, zijn goede plaatsen, en in Penang staat hij op de heuvels. Het klimaat is jaarrond nat; elk seizoen is geschikt.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst staat de soort als niet in gevaar (Least Concern), volgens een beoordeling door Clarke uit 2018. Hij heeft een groot verspreidingsgebied over drie eilanden en een brede hoogtemarge, en groeit ook in beschermde gebieden. Kerangas verdwijnt op veel plaatsen door ontginning, brand en zandwinning, en dat raakt lokale populaties. Als lid van het geslacht staat hij in CITES bijlage II; internationale handel in wilde planten vereist een vergunning.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes albomarginata | Lobb ex Lindley, 1849

Op naam gebracht door Thomas Lobb, geldig gepubliceerd door John Lindley in 1849, in The Gardeners' Chronicle and Agricultural Gazette 1849: 580–581, op basis van materiaal dat Lobb in 1848 verzamelde. Het typemateriaal is afkomstig uit Borneo. De naam komt van het Latijn albus (wit) en marginatus (gerand), en verwijst naar de dichte band van korte witte haartjes die deze soort direct onder de peristoom draagt.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.