Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes sanguinea
Nepenthes sanguinea
'Sanguinea' betekent bloedrood, en de naam verwijst naar de diepe rode kleur die de bekers van deze soort vaak hebben. Nepenthes sanguinea werd al in 1849 door de Engelse botanicus John Lindley beschreven, in de begintijd van de Europese belangstelling voor kannenplanten, en behoort daarmee tot de langst bekende soorten van het Maleisisch schiereiland. Het is een plant van de koele bergkammen van het schiereiland en het aangrenzende zuiden van Thailand, waar ze tussen laag struikgewas en in de randen van bergbos haar forse, vaak rode of oranje bekers vormt.



Herkenning
Een klimplant met stomp hoekige, soms ronde stengels van vijf tot negen millimeter dik en zittende, leerachtige bladeren: aan de voet van de plant lang spatelvormig tot 20 cm, hoger aan de stengel langwerpig, 10 tot 15,5 cm lang. De onderbekers zijn breed ellipsoïde en fors, meestal 13 tot 21,5 cm hoog maar soms tot ruim 26 cm, en aan de voet vijf à acht centimeter breed. Het peristoom is afgeplat en kan tot anderhalve centimeter breed worden; het deksel is breed elliptisch tot eirond. De bovenbekers zijn bijna cilindrisch tot trechtervormig, 13 tot 27,5 cm hoog, met een smaller peristoom dan de onderbekers. De kleur loopt uiteen van effen groen tot roodbruin overlopen en gespikkeld, en de binnenkant is rood gevlekt. Juist de rode vormen hebben de soort haar naam gegeven.
Gelijkende soorten
Twee soorten van het schiereiland worden er geregeld mee verward. Nepenthes benstonei heeft een ronde stengel, veel grotere en vaak kortgesteelde bladeren en groeit doorgaans lager, in secundaire vegetatie. Nepenthes malayensis, pas in 2020 beschreven uit de oostelijke bergen van het schiereiland, werd aanvankelijk voor een groene sanguinea gehouden; die heeft een ronde tot breed hoekige stengel (bij sanguinea scherper hoekig), fijn behaarde bladeren en bekers, opvallend gestreepte peristomen, en groeit op mosbanken en met humus bedekte rotsen. Van Nepenthes macfarlanei, die in hetzelfde berggebied groeit, verschilt ze door het ontbreken van de dichte witte beharing onder het deksel.
De val en hoe hij werkt
Een valkuil met een breed, glad peristoom. De onderbekers zijn ruim en buikig, met veel vloeistof, en staan op of tegen de grond; ze vangen vooral mieren en ander kruipend gedierte. De bovenbekers hangen hoger in de vegetatie en zijn slanker. Nectarklieren op het peristoom en onder het deksel lokken insecten naar de rand, waar ze op de natte ribbels uitglijden. De rode binnenwand, met vlekken, is een patroon dat bij veel soorten van het geslacht voorkomt en mogelijk bijdraagt aan het aantrekken van vliegende insecten; specifiek onderzoek naar de prooi van deze soort is in de geraadpleegde literatuur niet gevonden.
Standplaats en ecologie
Bergkammen tussen struikgewas met naaldbomen van het geslacht Dacrydium en rododendrons, van 900 tot 1800 m hoogte (B1, B5). Dat is typische kamvegetatie in het koele, vochtige bergland van het schiereiland: laag, open genoeg voor licht, en met een voortdurend hoge luchtvochtigheid. De plant klimt door de struiken en langs bosranden, en profiteert ook van open plekken langs paden en wegen in het bergland.
Verspreiding en hoogte
Het Maleisisch schiereiland en het aangrenzende zuiden van Thailand. Binnen Maleisië is de soort op de bergketens van het schiereiland verspreid, vooral in het hoofdgebergte. Omdat ze ook in Thailand voorkomt, is ze niet endemisch voor één land. Ons eigen overzicht noemt alleen het Maleisisch schiereiland; het Thaise deel van het areaal hoort er volgens de literatuur bij.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
De soort is berucht variabel in kleur: er zijn effen groene, oranje, rode en bijna zwartrode planten, en de spikkeling varieert eveneens. Die variatie is nooit in variëteiten vastgelegd. Van Nepenthes pumila, een naam uit 1854, wordt aangenomen dat het dezelfde soort is. In het wild vormt Nepenthes sanguinea hybriden met Nepenthes macfarlanei, waar beide samen voorkomen. Kweekvormen met handelsnamen horen niet in dit overzicht.
Waar en wanneer te zien
De hooglandoorden van het hoofdgebergte van Maleisië, met hun wegen en paden door bergbos, zijn de gemakkelijkste plekken om de soort te zien. Loop langs bosranden, over kammen en langs taluds, en kijk naar forse, buikige bekers in rood of groen tussen het struikgewas. Het bergland is het hele jaar vochtig; de ochtenden zijn meestal helderder dan de middagen, als wolken en regen opkomen. Laat de planten staan: ook langs toeristenpaden verdwijnen kannenplanten door plukken.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst staat de soort als niet in gevaar (Least Concern). Ze is op het schiereiland wijdverbreid en houdt zich staande in open, verstoorde vegetatie langs wegen. De bergkammen van het schiereiland staan wel onder druk van de uitbreiding van hooglandoorden, landbouw en infrastructuur. Als lid van het geslacht Nepenthes staat de soort in CITES bijlage II, zodat internationale handel in wilde planten een vergunning vereist; de handel steunt grotendeels op kweekmateriaal, en de soort is een van de klassieke kasplanten.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes sanguinea | Lindley, 1849
Nepenthes sanguinea werd in 1849 beschreven door John Lindley, in The Gardeners' Chronicle and Agricultural Gazette (1849, deel 37, p. 580-581). Schiereiland Maleisië en het uiterste zuiden van Thailand, op 300-1800 m hoogte; de precieze typelocatie kon niet nauwkeuriger worden vastgesteld. De naam komt van het Latijnse "sanguineus" ("bloedrood") en verwijst naar de karakteristieke kleur van de bekers.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.