Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes maxima
Nepenthes maxima
De 'grote kannenplant', en de naamgever van een hele groep verwante soorten, het N. maxima-complex. Nepenthes maxima werd in 1824 beschreven op basis van materiaal dat de in Duitsland geboren botanicus Caspar Reinwardt in Nederlands-Indië had verzameld, en is een van de soorten met het grootste verspreidingsgebied van het geslacht: van Sulawesi via de Molukken tot op Nieuw-Guinea. Over dat hele gebied varieert de plant sterk, van slanke bekers met een smal peristoom in drogere streken tot bekers met een breed uitwaaierend peristoom in permanent natte gebieden. Veel van de verwanten in dit complex zijn pas in de laatste decennia beschreven.




Herkenning
Een klimplant met stengels van 3 mm tot 1 cm dik, vaak met twee gevleugelde kanten, en bladeren van 15 tot 30 cm lang. De onderbekers zijn smal eivormig, naar boven cilindrisch, soms met een lichte taille, 8 tot 20 cm lang, en hebben gefranjerde vleugels. De bovenbekers zijn het bekendst: smal trechtervormig, meestal 6 tot 19 cm, maar soms tot 30 cm lang, vaak crèmekleurig tot groen met rode of paarse strepen en vlekken. Het peristoom is aan de voorzijde smal en bijna cilindrisch, 2 tot 5 mm breed, en wordt naar het deksel toe vlakker; in natte gebieden is het vaak veel breder. Het deksel is eirond, ongeveer 2,5 cm lang. Op Sulawesi hebben veel planten een duidelijk golvende bladrand.
Gelijkende soorten
Het N. maxima-complex omvat een tiental verwante soorten, waaronder N. boschiana, N. chaniana, N. epiphytica, N. eymae, N. fusca, N. klossii, N. platychila en N. vogelii. Op Sulawesi is Nepenthes eymae de soort waarmee N. maxima het meest verward wordt: die heeft echter vleugelloze, trechtervormige en betrekkelijk kleine bovenbekers die bovenaan plotseling tot een brede kom verwijden, en een driehoekig deksel. Nepenthes undulatifolia uit Zuidoost-Sulawesi heeft eveneens golvende bladranden, maar veel kortere, brede bekers.
De val en hoe hij werkt
Een valkuil waarvan de vorm met het klimaat meebeweegt. In drogere, seizoensgebonden gebieden zijn de bovenbekers lang en smal, met een smal peristoom en een goed ontwikkelde waszone aan de binnenkant, waarop insecten geen grip vinden. In permanent natte gebieden is het peristoom breder en de waszone kleiner. Die twee strategieën weerspiegelen hoe het peristoom werkt: het is alleen glad als het nat is, zodat een plant in een droog klimaat meer op was vertrouwt, en een plant in een nat klimaat op een breed peristoom. Onderin staat verteringsvloeistof, en onder het deksel liggen nectarklieren.
Standplaats en ecologie
Een breed scala aan standplaatsen: epifytisch in bemost bergbos, terrestrisch in moerassige graslanden, en langs bosranden en open plekken (B1, W6, B5). De soort komt voor van ongeveer 400 m op Sulawesi tot boven 2600 m op Nieuw-Guinea. Ze groeit zowel in permanent natte als in seizoensgebonden drogere klimaten, en is daardoor een van de meest aanpasbare soorten van het geslacht.
Verspreiding en hoogte
Sulawesi, de Molukken en Nieuw-Guinea, met een mogelijke opgave van Wowoni, een eiland voor de kust van Zuidoost-Sulawesi. Niet endemisch voor één eiland. De eigen soortenlijst vermeldt 'Sulawesi tot Nieuw-Guinea'; dat klopt. Oudere opgaven van N. maxima van Borneo hebben meestal betrekking op verwante soorten uit het complex.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
De soort is uitgesproken variabel, en die variatie is deels geografisch: planten uit drogere gebieden hebben lange, smalle bekers met een smal peristoom, planten uit nattere gebieden bredere bekers met een breed peristoom, en veel planten op Sulawesi hebben golvende bladranden. Deze vormen zijn niet als afzonderlijke variëteiten geaccepteerd. Natuurlijke hybriden zijn gemeld met onder meer N. neoguineensis, N. tentaculata en N. glabrata. Zoals alle kannenplanten is de soort tweehuizig: er zijn mannelijke en vrouwelijke planten, en voor zaadzetting moeten beide in bloei staan. De kleine, onopvallende bloemen staan in trossen of pluimen en worden door insecten bestoven; de zaden zijn licht en worden door de wind verspreid.
Waar en wanneer te zien
Op Sulawesi is de soort op verschillende bergen goed te zien, onder meer in en rond het Nationaal Park Lore Lindu in Midden-Sulawesi, waar ze langs paden en bosranden in de bergen groeit. Kijk langs open plekken en in de struiken naar de lange, gestreepte bovenbekers; de onderbekers staan vaak verborgen in de strooisellaag. Op Nieuw-Guinea groeit ze tot hoog in de centrale bergketens. Reken in de bergen op dagelijkse regen, koude nachten en bloedzuigers op de paden, en neem voldoende tijd: de meeste bekers worden pas gevonden door langzaam te lopen en de vegetatie systematisch af te zoeken.
Staat van instandhouding
In de gegevens die deze gids gebruikt, is geen IUCN-beoordeling opgenomen (Not Evaluated), al wordt de soort elders als niet in gevaar vermeld. Wat bekend is: het verspreidingsgebied is groot, de soort komt op veel bergen en in uiteenlopende standplaatsen voor, en ze verdraagt verstoring zoals bosranden en open plekken. Een ernstige bedreiging op korte termijn is daardoor onwaarschijnlijk. Als lid van het geslacht Nepenthes staat ze in CITES bijlage II.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes maxima | Reinwardt, 1824
Nepenthes maxima werd in 1824 beschreven door Caspar Georg Carl Reinwardt (gepubliceerd door Christian Gottfried Nees von Esenbeck) — hetzelfde jaar en dezelfde auteurscombinatie als N. gymnamphora (golf 23). De precieze typelocatie kon niet met zekerheid worden achterhaald; de soort heeft een relatief ruime verspreiding over Nieuw-Guinea, Sulawesi en de Molukken. De naam is Latijn voor "grootste" en verwijst naar de relatief grote bekers van deze soort in vergelijking met verwante soorten.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.