Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes appendiculata
Nepenthes appendiculata
Een bekerplant die pas in 2011 een naam kreeg, en die zijn naam dankt aan één enkel orgaan: onder het deksel van de bovenbekers hangt een gesteeld, houtig aanhangsel van enkele centimeters lang, bezet met een handvol reusachtige nectarklieren. Nepenthes appendiculata leeft als epifyt in het nevelwoud van de Hose-bergen in het hart van Sarawak, een afgelegen massief dat pas laat door botanici is bezocht. Onze eigen soortenlijst plaatste de soort op Sumatra; de beschrijving en de wereldchecklist laten er geen twijfel over bestaan dat het een plant van Borneo is.
Van deze soort staat nog geen foto met een Creative Commons-licentie of uit het publiek domein in de gids.
Herkenning
Een slanke klimmer met cilindrische stengels van hooguit een meter of twee lang en zes tot negen millimeter dik, bedekt met korte roodbruine haren. De bladeren zijn vrijwel ongesteeld, elliptisch, tot 14 cm lang en 6 cm breed, met een spitse top; de rank is 30 tot 40 cm lang en in het midden opgekruld. De onderbekers zijn smal, bijna cilindrisch en onderaan iets gezwollen, tot 10,5 cm hoog en 3 cm breed, met twee gefranjerde vleugels, een schuin geplaatste eivormige mond en een peristoom tot 8 mm breed met kamachtige tanden; het kleine deksel draagt draadvormige aanhangsels. De bovenbekers zijn veel groter, tot 24,5 cm hoog en bijna 5 cm breed, zonder vleugels maar met duidelijke richels aan de voorzijde, en onder hun hartvormige deksel zit het kenmerkende gesteelde aanhangsel van ongeveer 3,4 cm.
Gelijkende soorten
De soort hoort bij de verwantschap rond Nepenthes fusca en de andere smalbekerige nevelwoudsoorten van Borneo, en in de beschrijving wordt hij uitdrukkelijk met die groep vergeleken. Nepenthes fusca heeft een smal driehoekig deksel met hooguit een lage kam aan de voet; bij N. appendiculata is het deksel van de bovenbeker breed en hartvormig, en het houtige, gesteelde aanhangsel met zijn negen tot vijftien grote klieren is bij geen enkele verwant zo ontwikkeld. Andere soorten van Borneo met een uitgesproken dekselaanhangsel, zoals N. burbidgeae, hebben een heel andere, bolle bekervorm en groeien op de grond. Wie een smalle bovenbeker zonder dit aanhangsel ziet, heeft dus vrijwel zeker een andere soort voor zich.
De val en hoe hij werkt
Een valkuil van het gewone Nepenthes-type, maar met een opvallende nadruk op het lokken. Het gesteelde aanhangsel onder het deksel van de bovenbeker hangt recht boven de mond, en de negen tot vijftien sterk gezwollen nectarklieren erop liggen precies waar een bezoekend insect zich moet ophouden om erbij te komen. Een insect dat daar foerageert, staat met zijn poten op of vlak boven het peristoom en valt gemakkelijk in de beker. Over de samenstelling van de prooi is voor deze soort niets gepubliceerd; de vorm van de bovenbekers, lang, smal en vrij in het mos hangend, wijst op vliegende en klimmende insecten zoals bij de verwante nevelwoudsoorten. De kleine, gevleugelde onderbekers worden weinig gevormd en vangen vooral op de mosbodem.
Standplaats en ecologie
Een epifyt van het bovenste montane nevelwoud (B1), op 1450 tot 1700 m hoogte. Dat is bos waarin stammen, takken en bodem onder een dikke laag mos en levermos liggen, voortdurend in de wolken of in de nevel, met een lage, gedrongen boomlaag. De plant wortelt in dat mos op stammen en takken en klimt met zijn ranken door het bladerdak; hij staat dus in halfschaduw tot licht, maar nooit in open vegetatie. De bodem zelf speelt geen rol: voedingsstoffen komen uit het mos, uit regenwater en uit de prooi. Meer over de standplaats is uit de beschrijving niet op te maken.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Borneo, en daar voor zover bekend beperkt tot de Hose-bergen in het midden van Sarawak, Maleisië. Dat massief ligt ver van wegen en dorpen, en het is goed mogelijk dat de soort op naburige toppen ook voorkomt zonder dat iemand er naar gekeken heeft. De bekende hoogte ligt tussen 1450 en 1700 m. Onze eigen soortenlijst gaf Sumatra als gebied op; dat is onjuist, want zowel de oorspronkelijke beschrijving als de wereldchecklist (WCVP) noemen alleen Borneo.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of vormen beschreven, en het materiaal waarop de soort rust is beperkt: de beschrijving uit 2011 steunt op een klein aantal planten uit één gebergte. Zoals bij bijna alle Nepenthes verschillen onder- en bovenbekers sterk van elkaar, en dat verschil is hier extra groot: de onderbekers zijn nog geen 11 cm hoog en hebben vleugels, de bovenbekers zijn meer dan twee keer zo hoog, zonder vleugels en met het grote aanhangsel. Natuurlijke hybriden zijn in de geraadpleegde literatuur niet vermeld.
Waar en wanneer te zien
Dit is geen soort voor een dagexcursie. De Hose-bergen zijn alleen bereikbaar met een georganiseerde expeditie over rivier en bospad, met toestemming van de Sarawakse autoriteiten en met lokale gidsen. Wie er komt, moet in het nevelwoud boven 1450 m omhoog kijken, naar de stammen en takken: de bovenbekers hangen tussen het mos, en het donkere, houtige aanhangsel onder het deksel is van dichtbij met het blote oog te zien. Een verrekijker helpt om bekers hoger in de kroon te bekijken zonder de plant aan te raken.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst staat de soort als niet in gevaar (Least Concern). Dat oordeel rust vooral op de afgelegenheid van het gebied: het nevelwoud van de Hose-bergen ligt boven de zone waar gekapt en geplant wordt, en de plant groeit op plaatsen die voor verzamelaars moeilijk bereikbaar zijn. Tegelijk is de soort maar van één gebergte bekend, zodat een verandering in dat ene gebied direct het hele areaal treft. Als lid van het geslacht staat hij in CITES bijlage II, zodat internationale handel in wilde planten een vergunning vereist.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes appendiculata | Lee, Bourke, Rembold, Taylor & Yeo, 2011
Nepenthes appendiculata werd in 2011 beschreven door Ch'ien C. Lee, Greg Bourke, Thomas Rembold, William Taylor en Swee Tin Yeo, in het boek New Nepenthes: Volume One van Stewart McPherson. De soort is beperkt tot de Hose-bergen in centraal Sarawak, Borneo, waar hij voorkomt op hoogtes tussen 1450 en 1700 m. De naam verwijst naar het vergrote klierachtige aanhangsel op de onderzijde van het dekseltje, het meest kenmerkende onderscheidende kenmerk van deze soort.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.