Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes danseri

Nepenthes danseri

Een kleine, gelige kannenplant van één eiland in het uiterste westen van Nieuw-Guinea. Nepenthes danseri is vernoemd naar de Nederlandse botanicus B. H. Danser, wiens monografie van 1928 de basis legde voor de kennis van het geslacht in de toenmalige Nederlands-Indische archipel. De naam circuleerde al vanaf ten minste 1994, maar de soort werd pas in 1997 formeel beschreven door Matthew Jebb en Martin Cheek in hun herziening van het geslacht in het tijdschrift Blumea. Het is een plant van open, zonnig terrein op ultramafisch gesteente in het laagland: een specialist van een bodem waarop weinig anders goed gedijt.

Nepenthes danseri
Foto: Micha Baum — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes danseri — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Micha Baum — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een lage struik of een bescheiden klimplant, van dertig centimeter tot hooguit vier meter hoog, met ronde stengels van hooguit een centimeter dik. Wat het eerst opvalt, is de kleur: de hele plant is geelachtig, bladeren, ranken en bekers. De bladeren van de klimstengel zijn breed tot smal elliptisch, 6 tot 11,5 cm lang en 2 tot 4,3 cm breed, met vier tot acht lengtenerven aan weerszijden van de middennerf. De bladschijven van de rozetbladeren zijn opvallend klein. De onderbekers zijn onderaan eivormig en worden naar de mond toe cilindrisch, 4,5 tot 10 cm hoog, met twee gefranjerde vleugels van ongeveer een halve centimeter. Het peristoom is smal en rond, 0,5 tot 2 mm, met nauwelijks zichtbare ribben. De bovenbekers zijn slanker, 9 tot 13,5 cm hoog, zonder franje maar met twee duidelijke richels aan de voorzijde, en met een iets breder peristoom van 1 tot 3 mm.

Gelijkende soorten

De belangrijkste verwarringsbron zit op een ander eiland. Planten van Halmahera werden lange tijd tot deze soort gerekend, of als afwijkende vorm ervan beschouwd; in 2015 beschreef Cheek ze als een aparte soort, Nepenthes halmahera. Wie oudere literatuur leest waarin Nepenthes danseri ook op Halmahera voorkomt, leest dus over die soort. Op Waigeo zelf is de combinatie van een geheel gelige plant, kleine bekers met een zeer smal, bijna glad peristoom, en groei op kaal ultramafisch terrein kenmerkend. Andere soorten in de ruimere regio, zoals Nepenthes mirabilis, hebben een breder, duidelijk geribd peristoom en grotere, gekleurde bekers.

De val en hoe hij werkt

Een bekerval van het gewone type, maar klein en met een bijzonder smal peristoom. De onderbekers staan op of vlak boven de grond en dragen twee gefranjerde vleugels die als loopplank voor kruipende dieren kunnen dienen; de bovenbekers hangen aan de ranken van de klimstengel en hebben alleen twee richels. Het peristoom, de ribbelrand om de mond, is bij deze soort slechts een halve tot drie millimeter breed en nauwelijks geribd; hoe sterk dat de vangst beïnvloedt, is niet onderzocht. Onder het deksel liggen nectarklieren die insecten naar de rand lokken, en onderin staat vloeistof waarin de prooi wordt verteerd. Over de samenstelling van de prooi bij deze soort is in de literatuur niets gevonden. Wel is bekend dat planten in het bos vaak helemaal geen bekers vormen: de plant maakt zijn vallen alleen in vol licht.

Standplaats en ecologie

Open struweel en kale bodems op ultramafisch gesteente, van zeeniveau tot ongeveer 300 m (R3, B5). Ultramafische bodems, verweerd uit serpentijn en verwante gesteenten, zijn arm aan de belangrijkste voedingsstoffen en rijk aan zware metalen als nikkel en chroom; bomen groeien er traag, en het landschap blijft daardoor open. Precies daar staat deze soort. In gesloten bos kan de plant wel overleven, maar vormt hij doorgaans geen bekers, wat erop wijst dat hij veel licht nodig heeft. De combinatie van een voedselarme bodem en volle zon maakt dierlijke prooi voor de plant een belangrijke bron van stikstof en fosfor.

Verspreiding en hoogte

Volgens de huidige opvatting endemisch op het eiland Waigeo, een van de Raja Ampat-eilanden voor de westpunt van Nieuw-Guinea, en daar bekend van de noordkust. Onze eigen soortenlijst noemt ook Halmahera, en de Flora Malesiana-behandeling van 2001 deed dat eveneens, maar sinds de beschrijving van Nepenthes halmahera in 2015 worden de planten van dat eiland tot die soort gerekend. Waigeo ligt biogeografisch aan de rand van Nieuw-Guinea, en de ultramafische gesteenten van het eiland herbergen meer planten met een beperkte verspreiding. De soort is bekend van zeeniveau tot ongeveer 300 m hoogte.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten of vormen beschreven, en er zijn geen natuurlijke hybriden bekend. Dat laatste ligt voor de hand: op Waigeo komen weinig andere soorten van het geslacht voor waarmee kruising mogelijk zou zijn, en de open ultramafische terreinen waar deze soort staat, zijn niet de standplaats van de wijdverspreide laaglandsoorten. De variatie die men in het veld ziet, is vooral die tussen onder- en bovenbekers en tussen planten in de zon en in de schaduw: beschaduwde planten zijn slapper, groener en vaak zonder bekers.

Waar en wanneer te zien

Waigeo is bereikbaar vanuit Sorong, en het eiland is vooral bekend om zijn koraalriffen en paradijsvogels; de binnenlanden zijn minder bezocht. Zoek naar open, laag struweel op rode of bruine, kaal ogende bodem: daar staat de kans op deze soort het hoogst. Kijk laag bij de grond naar de kleine gelige onderbekers, die gemakkelijk over het hoofd worden gezien tussen gras en struiken, en naar de iets grotere bovenbekers in het struikgewas. In het bos zelf is de plant lastig te herkennen, omdat hij daar vaak geen bekers heeft. Het gebied is afgelegen; reis met een lokale gids en respecteer lokale afspraken over toegang tot land.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst als kwetsbaar (Vulnerable) opgenomen, op grond van een oudere beoordeling (versie 2.3 van de criteria). De reden is het kleine verspreidingsgebied: één eiland, met bekende vindplaatsen langs de noordkust. Ultramafische gebieden zijn in de hele regio in trek bij de nikkelmijnbouw, en ook op Waigeo is naar delfstoffen gezocht; daarnaast vormt ontbossing en aanleg van wegen een mogelijke bedreiging. Als lid van het geslacht Nepenthes staat de soort in CITES bijlage II, zodat internationale handel in wilde planten een vergunning vereist. Een nieuwe beoordeling, rekening houdend met de afsplitsing van de Halmahera-planten, zou het beeld waarschijnlijk scherper maken.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes danseri | Jebb & Cheek, 1997

Nepenthes danseri werd in 1997 beschreven door Matthew Jebb en Martin Cheek in hun herziening "A skeletal revision of Nepenthes (Nepenthaceae)" (Blumea), hoewel de naam volgens de Carnivorous Plant Mailing List al sinds ten minste 1994 informeel in gebruik was. Uitsluitend bekend van de noordkust van het eiland Waigeo (Indonesië); planten die vroeger aan deze soort werden toegeschreven op Halmahera (Molukken) worden inmiddels als een eigen soort, N. halmahera, beschouwd. De soortsnaam eert de botanicus Benedictus Hubertus Danser, die in 1928 de grote monografie over de Nepenthaceae van Nederlands-Indië publiceerde (zie ook N. clipeata, ook door hem beschreven).

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.