Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes vieillardii
Nepenthes vieillardii
Van alle bekerplanten groeit deze het verst naar het oosten. Nepenthes vieillardii is de enige Nepenthes van Nieuw-Caledonië, een eiland in de Grote Oceaan dat al tientallen miljoenen jaren geïsoleerd ligt en een van de eigenaardigste flora’s ter wereld heeft. Een groot deel van die flora staat op ultramafische bodem — rood, ijzerrijk verweringsmateriaal van gesteenten uit de aardmantel, arm aan voedingsstoffen en rijk aan nikkel en chroom — en precies daar groeit deze soort. Hij is genoemd naar Eugène Vieillard, die tussen 1861 en 1867 planten verzamelde op Nieuw-Caledonië en Tahiti.


Herkenning
Een klimmende of klauterende plant met vertakte stengels tot acht meter lang. De bladschijf is lijnvormig tot langwerpig, tot 35 cm lang en 8 cm breed. De onderbekers zijn tot 17 cm lang en 6 cm breed, onderaan eirond en gezwollen en naar boven cilindrisch of licht trechtervormig, met aan de voorzijde twee vleugels tot 18 mm breed, bezet met smalle draden tot 7 mm. De bovenbekers zijn tot 21 cm hoog en 5 cm breed en wisselend van vorm: van geheel trechtervormig tot onderaan eirond gezwollen. Het peristoom is rolvormig en glanzend, tot 5 mm breed, met ribben tot 0,3 mm hoog. Het deksel is meestal bijna rond, soms eirond of elliptisch, tot 5 × 5 cm. De bloeiwijze is een tros tot 35 cm lang.
Gelijkende soorten
Op Nieuw-Caledonië is verwarring onmogelijk: het is de enige bekerplant van het eiland, en ook van de omliggende eilandengroepen. De dichtstbijzijnde andere soorten staan in Nieuw-Guinea en Noord-Australië, zoals Nepenthes mirabilis, waarmee hij de brede vleugels van de onderbekers gemeen heeft. Het grote verschil zit in de standplaats en de vorm: N. vieillardii groeit op ultramafisch gesteente en is binnen het eiland zelf opvallend variabel in de vorm van zijn bekers, zodat planten van verschillende groeiplaatsen er soms heel anders uitzien.
De val en hoe hij werkt
Een gewone valkuil van het geslacht, met een glanzend peristoom, nectarklieren op het deksel en een vloeistof met verteringsenzymen onderin. De onderbekers zijn met hun brede, gefranjerde vleugels ingericht op lopende prooi zoals mieren; de bovenbekers vangen ook vliegende insecten. De bekervloeistof is, zoals bij veel soorten, een eigen leefgemeenschap: de mug Tripteroides caledonicus legt er haar eieren in, en haar larven leven in het water van de beker, waar ze van de resten van de prooi eten zonder zelf te worden verteerd.
Standplaats en ecologie
Rode lateritische bodem op ultramafisch gesteente (R3): aan de randen van naaldbos, in grasrijke bergweiden en in gekapt laaglandbos, en in het open, struikachtige maquis dat op deze bodems typisch is (B5). De soort groeit van zeeniveau tot ongeveer 850 m, en in sommige bronnen tot 900 m. Deze bodems zijn giftig voor veel planten door de hoge gehalten aan nikkel, chroom en magnesium, en de vegetatie is daardoor open en laag; een bekerplant die stikstof en fosfor uit prooi haalt, heeft hier een voorsprong.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Nieuw-Caledonië: op het hoofdeiland Grande Terre, voornamelijk in het zuiden waar de ultramafische massieven het grootst zijn, en op het Île des Pins. Hij staat van zeeniveau tot ongeveer 850 m. Het is daarmee de meest oostelijke soort van het hele geslacht, ver buiten het Maleisische kerngebied. Hoe de voorouder hier is gekomen, is onbekend; langeafstandsverspreiding van het lichte zaad wordt als waarschijnlijkste verklaring genoemd.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
In het wild worden geen variëteiten meer erkend; een reeks vroeger beschreven namen geldt als synoniem. Kurata en collega’s onderzochten in de jaren 2000 de variatie in vorm en de genetische diversiteit binnen de soort, en vonden dat populaties van verschillende delen van het eiland duidelijk van elkaar verschillen, vooral in de vorm van de bekers en de beharing. Die variatie is geografisch en niet in duidelijke vormen op te delen. Natuurlijke hybriden bestaan niet, omdat er geen andere soort op het eiland voorkomt.
Waar en wanneer te zien
Het zuiden van Grande Terre, met zijn uitgestrekte rode ultramafische vlakten en heuvels, is de plaats om te zoeken. De natuurparken en reservaten in het zuiden, zoals rond de Rivière Bleue en de Plaine des Lacs, hebben maquis waarin de soort voorkomt. Kijk tussen de lage struiken en langs de randen van naaldbos; de onderbekers liggen vaak op de grond tussen het strooisel. Op het Île des Pins staat hij in de begroeiing op ultramafische grond. De koele, drogere maanden van ongeveer juni tot september zijn het aangenaamst om te wandelen.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst staat de soort als niet in gevaar (Least Concern). Hij is op het zuidelijke deel van Grande Terre plaatselijk algemeen en groeit in verschillende beschermde gebieden. De grootste bedreiging voor zijn standplaatsen, en voor de hele Nieuw-Caledonische flora op ultramafische bodem, is dagbouw op nikkel: de mijnbouw haalt precies de bodems weg waar deze vegetatie op staat. Branden spelen ook een rol. Als lid van het geslacht staat hij in CITES bijlage II; internationale handel in wilde planten vereist een vergunning.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes vieillardii | J.D. Hooker, 1873
Beschreven door Joseph Dalton Hooker in 1873, in Prodromus Systematis Naturalis Regni Vegetabilis, deel 17, p. 90-105 (monografie "Nepenthaceae") — dezelfde monografie als N. tentaculata (golf 32), veertien jaar na Hookers beschrijving van N. veitchii. De precieze typelocatie kon niet met zekerheid worden achterhaald. De soort is endemisch voor Nieuw-Caledonië, met een habitat van struikvegetatie en bos tot circa 900 m hoogte. Vernoemd naar Eugène Vieillard, plantenverzamelaar die tussen 1861 en 1867 actief was in Nieuw-Caledonië en Tahiti.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.