Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes diabolica
Nepenthes diabolica
De 'duivelse' kannenplant, en de naam is niet overdreven: rode onderbekers, bedekt met een wollige vacht, met een peristoom waarvan de ribben zijn uitgegroeid tot lange, gekromde tanden. Nepenthes diabolica werd in 2020 beschreven door A. Bianchi, Ch'ien Lee, Michal Golos, F. Mey, M. Mansur en Alastair Robinson. De plant was echter al rond 2005 ontdekt en circuleerde daarna jarenlang onder informele namen: eerst als 'rode behaarde hamata', later als 'N. ronchinii', een naam die nooit geldig werd gepubliceerd. Het is een van de kannenplanten die de laatste decennia nieuw zijn beschreven.

Herkenning
Een bergsoort die sterk op Nepenthes hamata lijkt, maar in bijna alles een stap verder gaat. De onderbekers zijn rood van kleur en aan de buitenkant dicht bedekt met een wollige beharing. Het peristoom is uitzonderlijk sterk ontwikkeld: de ribben zijn uitgegroeid tot grote, gekromde tanden die als een krans van haken over de mond hangen. Over de bovenbekers vermelden de beschikbare samenvattingen weinig. Omdat de volledige beschrijving voor deze gids niet is geraadpleegd, worden geen maten gegeven; voor determinatie in het veld zijn de combinatie van wollige beharing, rode onderbekers en het extreem getande peristoom voldoende.
Gelijkende soorten
De enige soort op Sulawesi met een vergelijkbaar extreem getand peristoom is Nepenthes hamata, en die is ook de naaste verwant. N. hamata heeft echter minder sterk ontwikkelde tanden, een veel minder dichte beharing en is meestal gevlekt in plaats van effen rood. Planten die in de handel als 'hamata' met rode, behaarde bekers werden aangeboden, blijken meestal N. diabolica te zijn. Andere leden van de groep, zoals N. nigra en N. glabrata, hebben een veel smaller en minder getand peristoom.
De val en hoe hij werkt
Een valkuil met een peristoom dat als een krans van haken is gebouwd. Zoals bij N. hamata liggen de nectarklieren aan de binnenrand, tussen de voet van de tanden, zodat een nectarzoekend insect over en tussen de tanden naar de mond moet. Wat de tanden precies bijdragen, is niet experimenteel onderzocht; de meest gegeven verklaring is dat ze ontsnapping bemoeilijken of nectardieven weren. De wollige beharing aan de buitenkant van de beker is bij kannenplanten ongewoon en kan kruipende dieren houvast bieden op weg naar de mond, maar ook dat is niet onderzocht. Een prooistudie is niet gepubliceerd.
Standplaats en ecologie
Bemost nevelwoud op ongeveer 2200 tot 2300 m hoogte, op één berg in Midden-Sulawesi (B1). De standplaats is koel en permanent vochtig, met dikke moslagen en een zure, voedselarme bodem. Verdere details over de standplaats zijn voor deze gids niet geraadpleegd. Voor een kannenplant is zo'n standplaats gunstig: de voortdurende vochtigheid houdt de bekers gevuld en het peristoom glad, terwijl de arme bodem weinig stikstof en fosfor levert, zodat de extra voeding uit prooi een echt voordeel geeft.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Sulawesi en voor zover bekend beperkt tot één berg in Midden-Sulawesi. Dat stemt overeen met de aanduiding 'Sulawesi' in de eigen soortenlijst, maar het bekende gebied is zeer klein. Omdat de soort pas in 2020 formeel werd beschreven en de bergen van het centrum van het eiland weinig onderzocht zijn, is niet uitgesloten dat ze ook elders groeit. Sulawesi ligt ten oosten van de lijn van Wallace, in de overgangszone tussen de Aziatische en de Australische flora en fauna, en telt veel minder kannenplanten dan Borneo; des te opvallender is dat een groot deel van de soorten op het eiland endemisch is.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of wilde vormen beschreven. De onderbekers zijn over het algemeen rood, met variatie in tint en in de dichtheid van de beharing. Natuurlijke hybriden zijn niet gepubliceerd, maar gezien de nauwe verwantschap met N. hamata en andere leden van de groep is kruising in het veld denkbaar.
Waar en wanneer te zien
De groeiplaats ligt op een afgelegen, hoge berg in Midden-Sulawesi, alleen bereikbaar via meerdaagse tochten met plaatselijke gidsen. Omdat de soort van één berg bekend is en al jaren bij verzamelaars gewild, is terughoudendheid met het delen van exacte vindplaatsen gepast. Wie de plant ziet, herkent haar aan de rode, wollig behaarde onderbekers met een krans van lange haken rond de mond. Reken in de bergen op dagelijkse regen, koude nachten en bloedzuigers op de paden, en neem voldoende tijd: de meeste bekers worden pas gevonden door langzaam te lopen en de vegetatie systematisch af te zoeken.
Staat van instandhouding
Er is geen IUCN-beoordeling van deze soort (Not Evaluated). Wat bekend is: de soort is van één berg bekend en was al voor haar formele beschrijving gewild bij verzamelaars, die haar onder informele namen verhandelden. Een klein verspreidingsgebied in combinatie met verzameldruk maakt de soort kwetsbaar. Als lid van het geslacht Nepenthes staat ze in CITES bijlage II, zodat internationale handel in wilde planten een vergunning vereist. Nieuw beschreven kannenplanten worden vaak snel gewild in de handel, en de ervaring met andere soorten leert dat dit tot plundering van kleine populaties kan leiden voordat weefselkweek de vraag opvangt.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes diabolica | Bianchi, Lee, Golos, Mey, Mansur & Robinson, 2020
Nepenthes diabolica werd in 2020 beschreven door Alberto Stefano Bianchi, Ch'ien C. Lee, Michael Golos, François Sockhom Mey, Deden Mansur en Alastair Robinson, in "Nepenthes diabolica (Nepenthaceae), a new species of toothed pitcher plant from Central Sulawesi" (Phytotaxa 464(1): 29-48). Eén enkele berg in centraal Sulawesi, Indonesië, op ongeveer 2200-2300 m hoogte — nergens anders bekend. De naam komt van het Latijn voor "duivels" en verwijst naar zowel de typische rode kleur van de onderste bekers als de sterk vergrote tanden van de peristoom.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.