Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes dactylifera
Nepenthes dactylifera
Een soort die in 2019 uit een bekende naam werd losgemaakt. Nepenthes fusca gold lang als een van de meest verbreide bergsoorten van Borneo, een epifyt met smalle, donkere bekers die van Sabah tot Kalimantan voorkwam. Toen een expeditie de typelocatie van N. fusca op het Kemul-massief in het binnenland van Oost-Kalimantan bereikte, voor het eerst sinds de soort daar in 1925 werd verzameld, bleek de echte fusca een plant met een klein gebied te zijn. Alastair Robinson, Michal Golos, Stewart McPherson, Marc Barer en collega's splitsten daarop twee soorten af: Nepenthes zakriana in Sabah, en de zuidelijker, wijdverbreide Nepenthes dactylifera. De naam betekent 'vingerdragend'.

Herkenning
Een overwegend epifytische klimplant die veel lijkt op wat vroeger als N. fusca werd beschouwd: slanke stengels, smalle bladeren en bekers die aan takken en in het mos hangen. De bovenbekers zijn trechtervormig tot cilindrisch en hebben een deksel dat zeer smal eirond tot driehoekig is, een kenmerk waarop de beschrijvers de soort onder meer van haar verwanten scheiden. Onderbekers worden gevormd waar de plant op de grond of in dik mos staat. De kleur van de bekers varieert, zoals in de hele fusca-groep, van groen tot donker roodbruin, vaak met vlekken. Omdat de volledige soortbeschrijving voor deze gids niet is geraadpleegd, worden hier geen maten gegeven. Het verschil tussen onder- en bovenbekers hangt samen met de groeifase: jonge planten en rozetten vormen onderbekers, en pas als de stengel gaat klimmen verschijnen bovenbekers, waarvan de rank zich vaak om een steun windt.
Gelijkende soorten
Binnen de fusca-groep is onderscheid lastig en vaak alleen met de bovenbekers en de herkomst te maken. Nepenthes fusca in strikte zin groeit alleen op het Kemul-massief, uitsluitend op de grond op rotsige kammen, en heeft een plat, eirond deksel. Nepenthes zakriana is beperkt tot de Crockerketen in Sabah en heeft een smal, lintvormig deksel. N. dactylifera is de soort van Sarawak, Brunei en het grootste deel van Kalimantan. Vrijwel alle oudere foto's en herbariumexemplaren van 'N. fusca' uit die gebieden horen dus bij deze soort.
De val en hoe hij werkt
Een valkuil als bij de rest van het geslacht: nectar op het peristoom en onder het deksel lokt insecten, die op het natte, gladde peristoom uitglijden en in de verteringsvloeistof belanden. Omdat de plant overwegend epifytisch groeit, hangen de meeste bekers aan takken en vangen ze vooral vliegende insecten en mieren die over de takken lopen. Een prooistudie specifiek voor deze soort is niet gepubliceerd; onderzoek aan 'N. fusca' van vóór 2019 kan op deze soort betrekking hebben. Onderzoek aan andere soorten van het geslacht heeft laten zien dat het peristoom werkt door 'aquaplaning': een dun waterlaagje op het fijn geribbelde oppervlak maakt het zo glad dat de hechtkussentjes van insectenpoten er geen vat meer op krijgen. De val werkt dus het best als het vochtig is, wat in nevelwoud bijna altijd het geval is.
Standplaats en ecologie
Bergbos tussen ongeveer 800 en 1900 m hoogte, waar de soort voornamelijk als epifyt op bomen groeit (B1). Opvallend is dat ze ook verstoorde plekken koloniseert: de beschrijvers noemen ruderale standplaatsen op kleiige laterietgrond, zoals wegbermen en afgegraven hellingen (H1). Die combinatie verklaart deels waarom de soort zo wijdverbreid is: ze is niet aan één bijzonder bodemtype gebonden en profiteert van open plekken.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Borneo, met een groot verspreidingsgebied door Sarawak, Brunei en Kalimantan. Dat stemt overeen met de aanduiding in de eigen soortenlijst. In Sabah wordt ze vervangen door N. zakriana, op het Kemul-massief door N. fusca in strikte zin. Omdat de soort pas in 2019 is afgesplitst, is haar precieze grens nog niet overal vastgesteld.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of wilde vormen beschreven. De bekerkleur varieert sterk, van groen tot donker roodbruin, en planten op open plekken kleuren doorgaans donkerder. Natuurlijke hybriden die in de literatuur aan 'N. fusca' worden toegeschreven, bijvoorbeeld uit Sarawak, betreffen waarschijnlijk deze soort, maar zijn na de splitsing niet opnieuw beoordeeld.
Waar en wanneer te zien
Omdat de soort wijdverbreid is en ook langs bergwegen groeit, is het een van de gemakkelijker te vinden bergsoorten van Borneo: kijk op hoogten boven ongeveer 800 m naar de takken van bomen langs open plekken en wegbermen, waar de donkere, trechtervormige bovenbekers hangen. Beschermde bergen in Sarawak en Brunei met paden zijn goede plekken. Let bij het determineren op de vorm van het deksel en noteer de herkomst.
Staat van instandhouding
Er is geen IUCN-beoordeling van deze soort (Not Evaluated), wat niet verrassend is voor een soort die pas in 2019 werd beschreven. Wat bekend is: het verspreidingsgebied is groot, de soort komt op veel bergen voor, en ze kan op verstoorde grond overleven. Dat maakt een ernstige bedreiging op korte termijn onwaarschijnlijk, al verdwijnt bergbos op Borneo gestaag. Als lid van het geslacht Nepenthes staat ze in CITES bijlage II.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes dactylifera | Robinson, Golos, McPherson & Barer, 2019
Voor Nepenthes dactylifera kon geen toegankelijke bron worden gevonden met de precieze beschrijver, het publicatiejaar of de oorspronkelijke publicatie; meerdere geraadpleegde bronnen (Wikipedia-achtige spiegelpagina's, taxonomische portalen) waren niet oproepbaar of gaven geen resultaat voor deze soort. De precieze typelocatie kon niet met zekerheid worden achterhaald in de toegankelijke bronnen. De naam is vermoedelijk afgeleid van het Latijnse "dactylus" ("vinger") en "-fera" ("dragend"), "vingerdragend" — vergelijkbaar met de vorming van de naam van de dadelpalm (Phoenix dactylifera) — maar welk kenmerk van de plant hiermee precies wordt bedoeld, kon niet met zekerheid worden bevestigd.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.