Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes fusca
Nepenthes fusca
Een epifyt van het nevelwoud die zijn bekers vaak tien tot vijftien meter boven de grond laat hangen, en daardoor voor de meeste bezoekers vooral een plant van de verrekijker is. Nepenthes fusca, Latijn voor 'donker', werd in 1928 door Danser beschreven naar één exemplaar dat de boswachter Endert drie jaar eerder in Oost-Kalimantan had verzameld en aanvankelijk voor N. veitchii had gehouden. Het is een van de meest verbreide bergsoorten van Borneo, met lange, slanke bekers en een opvallend smal, driehoekig deksel.




Herkenning
Een klimplant met stengels tot 10 m lang en 8 mm dik, met ronde leden tot 7 cm. De bladeren zijn leerachtig en gesteeld, langwerpig tot omgekeerd eirond, tot 15 cm lang en 6 cm breed; de gootvormige bladsteel tot 4 cm heeft stengelomvattende vleugels, en de rank is kort. De onderbekers zijn cilindrisch, doorgaans 20 cm hoog en 4 cm breed (uitzonderlijk 28 cm), met smalle gefranjerde vleugels, een horizontale mond die achteraan in een hals oploopt, en een afgeplat peristoom tot 12 mm met onduidelijke tanden. Het deksel is smal eirond met een kam aan de voet. De bovenbekers zijn in de onderste twee derde smal trechtervormig en daarboven wijd trechtervormig, tot 18 cm en bij grote vormen 26 cm hoog, met een smal driehoekig deksel waarvan rand en top naar beneden krullen. Jonge delen dragen lange bruine haren die grotendeels verdwijnen.
Gelijkende soorten
De soort hoort bij een groep verwante bergsoorten van Borneo en de verdere N. maxima-groep. Nepenthes hurrelliana heeft een behaarde kam onder het deksel en een horizontale mond die abrupt in een lange hals overgaat. N. vogelii heeft veel kleinere bekers, geen dekselaanhangsels, een breed in plaats van smal driehoekig deksel en lichtroomkleurige bekers met donkere spikkels. N. faizaliana heeft een rond deksel en verschilt in bloeiwijze, klierzone en beharing. N. platychila heeft een veel breder peristoom en deksel, zonder aanhangsels. Het smalle, driehoekige deksel van de bovenbeker is het beste veldkenmerk.
De val en hoe hij werkt
Twee bekertypen met een eigen fijnbouw. De onderbekers hebben een kleine verteringszone met ongeveer 600 tot 650 klieren per vierkante centimeter en een gereduceerde waszone. In de bovenbekers zitten de klieren veel dichter, 1500 tot 2000 per vierkante centimeter, maar zijn ze piepklein en overwelfd. Het smalle, driehoekige deksel met neergekrulde randen staat schuin boven de mond en laat de opening vrij. De trechtervormige bovenbekers hangen hoog in het mosbos en zijn gericht op vliegende insecten. Specifieke prooigegevens zijn niet gepubliceerd.
Standplaats en ecologie
Bemost nevelwoud op bergkammen (B1), meestal tussen 1200 en 2500 m, in Sarawak soms vanaf 300 m. De soort is vooral een epifyt in schaduwrijk mosbos, waar hij tien tot vijftien meter boven de grond kan hangen; zelden groeit hij op de grond in open bergbos of langs houtkapwegen. Hij groeit vaak samen met N. reinwardtiana, N. stenophylla en N. tentaculata.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Borneo, van Centraal-Kalimantan tot het noordwesten van Sabah, en ook in Sarawak. De soort is beschreven naar materiaal van een berg in Oost-Kalimantan. Hoogte: meestal 1200 tot 2500 m, plaatselijk vanaf 300 m. De gebiedsaanduiding in onze soortenlijst (Borneo) klopt.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen erkende variëteiten. Twee ongeldig gepubliceerde namen voor ondersoorten horen tegenwoordig bij andere soorten: de ene bij N. stenophylla, de andere bij de in 2011 afzonderlijk beschreven N. epiphytica. De bekergrootte varieert; er zijn grotere vormen met bovenbekers tot 26 cm. Er zijn natuurlijke hybriden bekend met N. burbidgeae (sinds de jaren 1980), N. lowii, N. reinwardtiana, N. stenophylla en N. tentaculata, en er zijn kruisingen met N. platychila, N. rajah en N. veitchii gemeld.
Waar en wanneer te zien
Zoek in bemost bergbos boven 1200 m, in parken als Kinabalu en de berggebieden van Sarawak, omhoog in de stammen en takken. De slanke, trechtervormige bovenbekers met hun smalle, driehoekige deksel hangen vaak ver buiten bereik; een goede verrekijker is onmisbaar. Waar houtkapwegen door bergbos lopen, groeit de soort soms op de grond in de bermen, en daar zijn de bekers van dichtbij te bekijken. Laat ze hangen: epifytische planten herstellen slecht van beschadiging.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst staat de soort als niet in gevaar (Least Concern). Het areaal is groot, en omdat de soort hoog in de bomen groeit en bij liefhebbers weinig gevraagd is, speelt verzamelen nauwelijks een rol. De voornaamste bedreiging is het verlies van bergbos door houtkap; aanzienlijke populaties liggen echter in nationale parken, zodat de soort in de nabije toekomst niet bedreigd lijkt. Hij staat in CITES bijlage II.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes fusca | Danser, 1928
Nepenthes fusca werd in 1928 beschreven door Benedictus Hubertus Danser in zijn monografie "The Nepenthaceae of the Netherlands Indies", uitsluitend op basis van het exemplaar Endert 3955. Dit typemateriaal (met mannelijke bloemdelen) werd op 12 oktober 1925 verzameld door Frederik Endert tijdens een expeditie van het Bosbouwproefstation Bogor, en ligt in het Herbarium Bogoriense (BO). De berg Kemul, Oost-Kalimantan, Borneo, op 1500 m hoogte. De naam komt van het Latijnse "fuscus" ("donkerbruin, gitzwart") en verwijst naar de kleur van de bekers.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.