Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes stenophylla

Nepenthes stenophylla

De 'smalbladige' bekerplant, in 1890 door Masters beschreven, en een van de bergsoorten van Borneo met de meest verwarde naamgeschiedenis. Nepenthes stenophylla is in de loop der tijd onder verschillende namen gepubliceerd en vaak verkeerd gedetermineerd, en de verhouding tot het taxon N. fallax is nog altijd onderwerp van discussie. Het is een wijdverbreide soort van het bergbos, met trechtervormige bekers tot een kwart meter hoog en een smal deksel, en hij hoort bij de verwantschap rond N. maxima.

Nepenthes stenophylla
Foto: JeremiahsCPs — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes stenophylla — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: JeremiahsCPs — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes stenophylla — de standplaats
De standplaats · Foto: JeremiahsCPs — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een klimplant van het bergbos met, zoals de naam zegt, smalle bladeren. De bekers zijn trechtervormig en worden tot 25 cm hoog. Het deksel is smal, en dat is het kenmerk waarmee de soort in de meest gebruikte opvatting van N. fallax wordt onderscheiden, die een rond deksel heeft. Voor deze gids konden geen toetsbare maten van stengel, bladeren en afzonderlijke onder- en bovenbekers worden verzameld; de maatvelden bevatten daarom alleen de bekerhoogte. Wie een zekere determinatie wil, moet de monografie van Clarke (1997) of Phillipps, Lamb en Lee (2008) raadplegen.

Gelijkende soorten

De soort hoort bij de N. maxima-groep, waartoe op Borneo ook Nepenthes fusca, N. faizaliana, N. chaniana, N. epiphytica, N. platychila en N. vogelii behoren. N. faizaliana, die op de kalkbergen van Mulu samen met N. stenophylla groeit, heeft meer lancetvormige bladeren, grotere bloeiwijzen, een breder en kleuriger peristoom, eenbloemige bloemsteeltjes met schutblaadjes en onderaan bolle onderbekers. N. fusca heeft een zeer smal, driehoekig deksel met neergekrulde randen. N. fallax wordt door Danser en de meeste latere auteurs als synoniem behandeld, maar door Schlauer apart gehouden op grond van het ronde deksel.

De val en hoe hij werkt

Een valkuil van het gewone type, met trechtervormige bovenbekers die op vliegende insecten zijn gericht: een trechter die naar boven wijder wordt, laat een insect dat op het gladde peristoom uitglijdt weinig houvast. Het smalle deksel staat boven de mond en laat de opening grotendeels vrij; het beschermt de beker dus maar beperkt tegen regen. Gepubliceerde gegevens over de prooi of over de fijnbouw van peristoom en klierzone van deze soort zijn voor deze gids niet gevonden.

Standplaats en ecologie

Bergbos (B1), tussen 900 en 2100 m hoogte. De soort groeit in bemost montaan bos en is volgens de beschikbare literatuur vaak samen met andere bergsoorten te vinden: met N. fusca, N. reinwardtiana en N. tentaculata, en in Gunung Mulu met N. faizaliana en N. vogelii. De vele natuurlijke hybriden wijzen op een soort die veel met andere Nepenthes samen voorkomt.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Borneo. De soort is wijdverbreid in de bergen van het eiland, tussen 900 en 2100 m; de wereldchecklist noemt alleen Borneo. Een nadere verdeling over Sabah, Sarawak, Brunei en Kalimantan is voor deze gids niet in een toetsbare bron gevonden en wordt daarom niet gegeven. De gebiedsaanduiding in onze soortenlijst (Borneo) klopt.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 12 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten erkend, maar de naamgeving is rommelig: de soort heeft een lange lijst synoniemen en misidentificaties, en een ongeldige naam voor een ondersoort van N. fusca hoort hier thuis. De grootste vraag is de status van N. fallax. Er zijn natuurlijke hybriden bekend met N. fusca, N. lowii, N. rajah, N. reinwardtiana, N. tentaculata en N. veitchii.

Waar en wanneer te zien

Omdat de soort wijdverbreid is in het bergbos van Borneo, is de kans groot hem in de montane nationale parken tegen te komen, bijvoorbeeld op de kalkbergen van Gunung Mulu of in het bergbos van Sabah. Door de verwarring met verwante soorten en de vele hybriden is een determinatie in het veld lastig; let op de trechtervormige bovenbekers en het smalle deksel, en vergelijk met N. fusca en N. faizaliana. Foto's van deksel, peristoom en bladvorm maken latere controle mogelijk.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst staat de soort als niet in gevaar (Least Concern); het taxon N. fallax, dat door sommigen als afzonderlijke soort wordt gezien, heeft een eigen beoordeling als kwetsbaar. Het brede verspreidingsgebied en de hoogteamplitude maken de soort als geheel weinig kwetsbaar; het verlies van bergbos door houtkap is de voornaamste bedreiging. De soort staat in CITES bijlage II.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes stenophylla | Masters, 1890

Beschreven door Maxwell T. Masters in 1890, in The Gardeners' Chronicle (serie 3, deel 8, p. 240), onder de titel "New or noteworthy plants". Een bijzonder geval: het typemateriaal was geen wildgroeiende plant, maar een exemplaar dat uit zaad was opgekweekt in een Engelse kas. Er is dus geen wilde typelocatie in de oorspronkelijke beschrijving. De soort is inmiddels bekend als endemisch voor Borneo, op 900-2100 m hoogte. Van het Grieks steno- ("smal") en -phylla ("bladeren") — "smalbladig", verwijzend naar de kenmerkend smalle bladeren van deze soort.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.