Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes muluensis

Nepenthes muluensis

Een kleine bekerplant van de toppen van de hoogste bergen in het noorden van Sarawak, en de eerste Nepenthes die na de Tweede Wereldoorlog werd beschreven: de Japanse botanicus Mitsuru Hotta verzamelde hem in maart 1964 op de Gunung Mulu en publiceerde hem in 1966, na een periode van 26 jaar waarin geen enkele nieuwe soort was bijgekomen. Nepenthes muluensis valt op door zijn donkerpaarse bekers met gele of witte spikkels en een helder wit peristoom en deksel bij de bovenbekers.

Nepenthes muluensis
Foto: JeremiahsCPs — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes muluensis — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: JeremiahsCPs — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes muluensis — de standplaats
De standplaats · Foto: JeremiahsCPs — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een klimplant met dunne stengels tot 4 m lang en 5 mm dik, met cilindrische leden tot 8 cm. De bladeren zijn ongesteeld en leerachtig, lancetvormig, tot 8 cm lang en slechts 1,5 cm breed, met een spitse top en een stengelomvattende voet; de rank wordt tot 8 cm. De onderbekers zijn tot 7 cm hoog en 3 cm breed, in het onderste derde eivormig en daarboven cilindrisch of kegelvormig, met een rond tot eirond, schuin geplaatste mond en een cilindrisch peristoom van ongeveer 5 mm met kleine tanden. Het eironde deksel draagt draadvormige aanhangsels tot 5 mm. De bovenbekers zijn cilindrisch met een vaak bolle voet, tot 10 cm hoog en 2 cm breed, met richels in plaats van vleugels, een ronde mond, een peristoom tot 3 mm en een rond deksel zonder aanhangsels. De plant is geheel kaal.

Gelijkende soorten

De soort wordt het gemakkelijkst verward met Nepenthes tentaculata, die in hetzelfde gebied voorkomt, vaak iets lager. De onderbekers zijn bijna gelijk, maar die van N. muluensis hebben een rondere mond; de bladeren zijn doorgaans smaller. Het beste kenmerk zijn de bovenbekers: bij N. muluensis met een wit deksel, een ronde mond en sterk gereduceerde of geen vleugels, bij N. tentaculata met een eirond deksel dat vaak draadharen draagt. De soort hoort, net als N. tentaculata, bij de Hamata-groep.

De val en hoe hij werkt

Een kleine valkuil in twee vormen. De onderbekers staan in het mos en dragen, net als bij N. tentaculata, draadvormige aanhangsels op het deksel. De bovenbekers hebben een goed ontwikkelde waszone aan de binnenwand, waarop insecten geen grip vinden, en een wit peristoom en deksel die sterk contrasteren met de donkerpaarse beker; dat contrast is in het halfdonker van de nevel goed zichtbaar en kan een lokfunctie hebben. De verteringsklieren liggen onderin. Over de prooi is weinig gepubliceerd; wel is de chemie van de plant onderzocht, waarbij bleek dat hij bepaalde flavonoïden en cyanidine mist die bij N. tentaculata wel voorkomen.

Standplaats en ecologie

Open plekken in bemost bovenmontaan bos en kamvegetatie (B1), op voedselarme bodems, tussen 1700 en 2400 m. Op de top van de Gunung Mulu is de vegetatie sterk gedrongen, zelden hoger dan een meter, en gedomineerd door Rhododendron ericoides en soorten van Diplycosia en Vaccinium. Op de berg Murud staan populaties in beschaduwd mosbos, en daar zijn de bekers donkerder. De plant klimt met zijn dunne stengels door de lage struiken.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Borneo. Bekend van de Gunung Mulu, de Gunung Api, de berg Murud en Bukit Batu Lawi in Sarawak, en van het zuidwesten van Sabah. Op de Mulu groeit hij van ongeveer 1900 m tot de top op 2376 m. Van de nabije top van de Benarat is hij niet bekend. Hoogte: 1700 tot 2400 m. Onze soortenlijst noemt alleen de Gunung Mulu; de soort is inmiddels van meerdere bergen in Sarawak en ook uit Sabah bekend.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 2 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten beschreven. De populaties verschillen wel in kleur: op de Mulu zijn de onderbekers donkerpaars met spaarzame gele spikkels en de bovenbekers paars met veel geelwitte spikkels en een wit peristoom en deksel; op de Murud zijn de bekers donkerder, mogelijk door sterkere uv-straling op grotere hoogte. Er zijn twee natuurlijke hybriden gemeld: met N. lowii, en met N. tentaculata, in 1993 beschreven als N. ×sarawakiensis; aan het bestaan van die laatste wordt getwijfeld.

Waar en wanneer te zien

De klim naar de top van de Gunung Mulu is een meerdaagse tocht in het nationaal park, alleen met een parkgids en na reservering bij de parkadministratie. Boven ongeveer 1900 m, in het lage struweel op de kam, zijn de donkerpaarse bekers met hun witte deksels tussen het mos en de rododendrons te vinden. De planten zijn klein; kijk laag en zorgvuldig. In het park is het verzamelen van planten verboden.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst staat de soort als niet in gevaar (Least Concern; beoordeling 2018). Eerdere beoordelingen waren strenger: bedreigd in 1995 en kwetsbaar in 2000, en Clarke noemde de soort in 1997 bedreigd maar afhankelijk van bescherming. De verschuiving weerspiegelt vooral de vondsten op andere bergen. De populaties op de Mulu liggen in een nationaal park en werelderfgoed. De soort staat in CITES bijlage II.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes muluensis | Hotta, 1966

Nepenthes muluensis werd in 1966 beschreven door Mitsuru Hotta, in "Notes on Bornean plants" (Acta Phytotaxonomica et Geobotanica). Het holotype (M. Hotta 14791d) werd op 18 maart 1964 verzameld op de Mardi-route, tussen het derde en vierde kamp op de westrug van de berg Mulu, Sarawak, en ligt bij het Departement Plantkunde van de Universiteit van Kyoto. De westrug van de berg Mulu, tussen het derde en vierde kamp op de Mardi-route, Sarawak, Borneo. De soort is vernoemd naar de berg Mulu, waarvoor zij destijds endemisch werd geacht.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.