Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes lamii

Nepenthes lamii

De kannenplant die het hoogst in de bergen groeit. Nepenthes lamii staat boven de boomgrens in het centrale gebergte van Papoea, op meer dan 3200 m hoogte, waar het 's nachts kan vriezen en de wind vrij spel heeft. De soort is vernoemd naar de Nederlandse botanicus Herman Johannes Lam, die de eerste planten verzamelde tijdens de Van Overeem-expeditie van oktober 1920. Danser zag die planten in 1928 nog aan voor een uitgeschoven populatie van Nepenthes vieillardii uit Nieuw-Caledonië; pas in 1997 beschreven Jebb en Cheek haar als eigen soort. In 2011 werd de soort bovendien opgesplitst: de klimmende planten van lagere hoogten heten sindsdien Nepenthes monticola.

Nepenthes lamii
Foto: Alfindra Primaldhi — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

In de strikte opvatting van na 2011 een gedrongen plant: rechtopstaande tot half liggende stengels, vaak aan de voet vertakt, tot ongeveer 45 cm hoog en tot een centimeter dik. De stengel is altijd rood, in de schaduw donker olijfgroen. De bladeren zijn dik en leerachtig, breed elliptisch, van 5 cm bij jonge rozetten tot 18 cm aan volwassen scheuten, zittend en stengelomvattend, en de bladschijf staat in een V-vorm. De onderbekers zijn geheel omgekeerd eivormig, 3 tot 8 cm hoog, met een bijna ronde mond die tot 45 graden scheef staat en een rond peristoom van 4 tot 6 mm. De bovenbekers zijn onderaan smal trechtervormig en daarboven bol, meestal ongeveer 12 cm hoog en 6 cm breed, uitzonderlijk tot 20 bij 9 cm, met een peristoom tot 12 mm. Jonge delen dragen korte, bleekbruine tot goudkleurige haren; volwassen blad is vrijwel kaal.

Gelijkende soorten

De naaste verwant is Nepenthes monticola, die tot 2011 bij deze soort werd gerekend. Die is een echte klimplant tot vier meter met hoekige stengels, heeft onderbekers met een duidelijke taille en groeit lager, tussen ongeveer 1400 en 2620 m, in bemost bergbos. Nepenthes lamii in strikte zin is gedrongen, grotendeels rechtop, met rode stengels en bollere bekers, en staat boven de boomgrens. Van Nepenthes vieillardii, waarmee de soort vroeger werd verward, verschilt ze door het vrijwel ontbreken van beharing op volwassen delen en door de veel hogere dichtheid van nectarklieren onder het deksel. Op dezelfde berg komt Nepenthes maxima voor, die veel grotere, cilindrische bovenbekers heeft.

De val en hoe hij werkt

Een bekerval die zich aan een koud, winderig klimaat heeft aangepast. De onderbekers zijn klein en bol en liggen vaak tussen gras, mos en stenen; ze vangen wat over de grond loopt. De bovenbekers zijn groter en hangen iets hoger in de lage vegetatie. Zoals bij het hele geslacht zit de lokking vooral op het peristoom en onder het deksel, waar nectarklieren liggen; in de oudere beschrijvingen van de soort in brede zin wordt een dichtheid van 1500 tot 2000 klieren per vierkante centimeter onder het deksel genoemd, uitzonderlijk hoog voor het geslacht. Insecten die op het natte peristoom lopen, glijden in de vloeistof, waar ze verdrinken en worden verteerd. Over de prooisamenstelling op deze hoogte is weinig gepubliceerd; bij de lage temperaturen zijn insecten minder actief, en een grote lokkracht per beker is dan zinvol.

Standplaats en ecologie

Rotsige, grotendeels anorganische bodems boven de boomgrens, overwegend op ultramafisch gesteente, op ongeveer 3200 tot 3250 m volgens de herziene beschrijving (R5, R3). Het is een van de extreemste standplaatsen van het geslacht: boven 3200 m komen nachttemperaturen rond 4 °C regelmatig voor en op de hoogste hellingen kan het vriezen, terwijl sterke wind de planten laag houdt. De begroeiing bestaat uit bergstruweel, grassen en open plekken met weinig andere planten. De planten groeien daar terrestrisch, vaak in volle zon, en zijn in die omstandigheden sterk gedrongen en rood gekleurd.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in het centrale gebergte van de Indonesische provincie Papoea, op Nieuw-Guinea. De herziene beschrijving noemt de hogere delen van Doorman Top als vindplaats; daar verzamelde Lam in 1920 zijn materiaal, onder meer op 3250 m, en een verzameling van 3520 m op de top zelf wordt vaak genoemd als de hoogste vondst van een Nepenthes. Onze eigen soortenlijst noemt Puncak Trikora; in de geraadpleegde literatuur wordt die berg niet als vindplaats van de soort in strikte zin genoemd. Oudere opgaven van lagere hoogten, rond 1460 m en bij de mijnstad Tembagapura, gaan grotendeels over de planten die nu Nepenthes monticola heten.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 3 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten of vormen beschreven, en er zijn geen natuurlijke hybriden bekend, ook niet met Nepenthes maxima, die op dezelfde berg voorkomt. De zichtbare variatie hangt vooral samen met standplaats en hoogte: hoe hoger en opener, hoe kleiner, gedrongener en roder de plant. Onderbekers zijn meestal roodachtig met donkerdere spikkels en een witte tot lichtoranje binnenkant; bovenbekers zijn geelachtig, soms met oranje of rood, en van binnen wit tot crème. Wie de soort in de breedte opvat en Nepenthes monticola erbij rekent, ziet daardoor meer variatie dan er in strikte zin is.

Waar en wanneer te zien

Dit is een van de moeilijkst bereikbare kannenplanten ter wereld. De vindplaatsen liggen in afgelegen hooggebergte in het centrum van Papoea, zonder wegen, en expedities hebben lange voorbereiding, vergunningen en lokale begeleiding nodig. Houd rekening met hoogteziekte, kou, regen en plotseling mist. Zoek niet in het bos maar erboven: tussen stenen en laag struikgewas op open, winderige hellingen. De planten zijn klein en rood en vallen tussen mos en rots minder op dan men verwacht. Wie lager in de bergen een klimmende kannenplant met gelige bovenbekers vindt, heeft waarschijnlijk Nepenthes monticola voor zich.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst als niet in gevaar (Least Concern). De omvang van de populaties is slecht bekend, en een deel van de bekende gegevens gaat over de soort in brede zin, dus inclusief de planten die nu Nepenthes monticola heten. De hooggelegen standplaatsen zijn nauwelijks door mensen verstoord en zijn in decennia maar zelden bezocht, wat de soort beschermt maar ook de kennis beperkt. Als lid van het geslacht Nepenthes staat ze in CITES bijlage II, zodat internationale handel in wilde planten een vergunning vereist. Een mogelijke langetermijndreiging is klimaatopwarming, die hooggebergtesoorten weinig ruimte laat om naar boven uit te wijken.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes lamii | Jebb & Cheek, 1997

Nepenthes lamii werd in 1997 beschreven door Matthew Jebb en Martin Cheek, in hun herziening "A skeletal revision of Nepenthes (Nepenthaceae)" (Blumea). Het typemateriaal (uit de reeks Lam 1637) werd op 17 oktober 1920 verzameld tijdens de Van Overeem-expeditie, op de hellingen van de Doorman Top (berg Anggemuk), West-Papoea, op ongeveer 3250 m hoogte; holotype en isotype liggen beide in het Herbarium Bogoriense. De hellingen van de Doorman Top (berg Anggemuk), West-Papoea, Indonesië, op ongeveer 3250 m hoogte. De soortsnaam eert de Nederlandse botanicus Herman Johannes Lam, die tijdens de Van Overeem-expeditie van 1920 exemplaren van deze soort verzamelde.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.