Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes vogelii

Nepenthes vogelii

Een kleine, vaak epifytische kannenplant uit het bergbos van Borneo, met roomkleurige, donker gespikkelde bekers. Nepenthes vogelii werd al in 1961 verzameld op Mount Api in Gunung Mulu, maar toen aangezien voor Nepenthes fusca. Pas in 2002 beschreven de Leidse botanici André Schuiteman en Eduard de Vogel haar als nieuwe soort in het tijdschrift Blumea, op basis van een plant die als zaailing in de Kelabit-hoogvlakte was verzameld en in de Hortus botanicus Leiden was opgekweekt door Art Vogel. Naar hem is de soort vernoemd. Het is een soort die gemakkelijk over het hoofd wordt gezien, omdat ze vaak hoog in de bomen groeit.

Nepenthes vogelii
Foto: JeremiahsCPs — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes vogelii — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: JeremiahsCPs — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes vogelii — de standplaats
De standplaats · Foto: JeremiahsCPs — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een slanke klimplant met ronde stengels van ongeveer 4 mm dik en internodiën van 3 tot 7,5 cm. Jonge delen zijn bedekt met een roodbruin viltje van korte vertakte haren, gemengd met langere haren. De bladeren zijn leerachtig en duidelijk gesteeld: een gegoten bladsteel van 2,5 tot 3,5 cm en een langwerpige bladschijf van 8 tot 12,5 cm lang en 2,4 tot 4,3 cm breed, met een wigvormige voet en een spitse top. De onderbekers zijn cilindrisch, naar de voet geleidelijk versmald, ongeveer 9 cm hoog en anderhalve centimeter breed, zonder vleugels, en roomgroen met diep dofrode tot paarse vlekken. Het peristoom is afgeplat en fijn geribd, ongeveer 2 mm breed aan de voorkant en 3 mm aan de achterkant. De bovenbekers zijn trechtervormig met een lange, smalle voet, 7,5 tot 9 cm hoog, en eveneens licht roomkleurig met donkere spikkels.

Gelijkende soorten

De naaste verwant is Nepenthes fusca, waarvoor de soort bij de eerste vondst ook werd aangezien. Nepenthes vogelii heeft echter veel kleinere bekers, mist aanhangsels aan de onderkant van het deksel, en heeft een breed in plaats van smal driehoekig deksel. Van Nepenthes burbidgeae en Nepenthes stenophylla verschilt ze door de lichte roomkleur met donkere spikkels. Er is ook verwantschap met Nepenthes platychila, maar die heeft gevleugelde onderbekers en een veel breder peristoom. Op de berg Mulu groeit ze in een smalle hoogtezone tussen Nepenthes fusca lager en Nepenthes hurrelliana hoger, wat de determinatie in het veld helpt.

De val en hoe hij werkt

Een kleine bekerval, en in beide vormen zonder vleugels: ook de onderbekers missen de gefranjerde lijsten die bij veel soorten als loopplank dienen. Dat past bij een plant die vooral epifytisch groeit en waarvan de bekers zelden op de grond staan. De onderbekers hebben een kleine, horizontale mond; de bovenbekers zijn trechtervormig, soms smal, soms bovenaan opvallend bol. Zoals bij het hele geslacht glijden insecten van het natte peristoom in de vloeistof onderin, die verteringsenzymen bevat. Onderzoek naar de prooi van deze soort is in de literatuur niet gevonden; bij kleine bekers in bemost bergbos gaat het doorgaans om mieren en andere kleine geleedpotigen.

Standplaats en ecologie

Submontaan en hoog laag-montaan regenwoud, meestal als epifyt tussen mos op stammen en takken, op 1000 tot 1500 m hoogte (B1, B3). Het typemateriaal werd echter terrestrisch gevonden, tussen mos in nat kerangasbos op wit zand, samen met Nepenthes stenophylla en Nepenthes veitchii. Kerangas is het arme heidebos van Borneo, op uitgeloogde zandgrond; epifytische standplaatsen zijn eveneens zeer voedselarm. In beide gevallen verklaart die armoede het belang van de vangst voor de plant. Het bergbos waar ze groeit, is het grootste deel van het jaar vochtig en vaak in wolken gehuld.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Borneo. Onze eigen soortenlijst plaatst de soort in Papoea-Nieuw-Guinea, maar dat berust op een vergissing: alle geraadpleegde literatuur, van de oorspronkelijke beschrijving tot de latere overzichten, geeft Borneo op. De soort werd eerst alleen uit het noorden van Sarawak gekend, met de typevindplaats in de Kelabit-hoogvlakte op ongeveer 1000 m en vondsten op de berg Mulu; later is ze ook gemeld uit het zuiden van Sabah en uit West-Kalimantan. Ze lijkt op Borneo dus wijder verspreid dan aanvankelijk gedacht, en de epifytische groeiwijze maakt het waarschijnlijk dat ze op meer plaatsen over het hoofd is gezien.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 4 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten of vormen beschreven. Ondanks het samen voorkomen met verwante soorten zijn er ook geen natuurlijke hybriden met Nepenthes vogelii vastgelegd. De variatie zit vooral in de vorm van de bovenbekers, die van smal trechtervormig tot bovenaan duidelijk bol kan zijn, en in de hoeveelheid donkere spikkels op de roomkleurige grond. De onderbekers zijn geelachtig met donkere spikkels en een gestreept peristoom. Vóór de beschrijving circuleerde de plant in de kwekerswereld onder een voorlopige naam, maar dat is voor de wilde soort zonder betekenis.

Waar en wanneer te zien

Gunung Mulu National Park in Sarawak is de meest toegankelijke plek, al vereist de klim naar de hoogtezone van de soort een georganiseerde meerdaagse tocht met gids. Kijk niet alleen naar de grond: deze plant groeit meestal in de bomen, en de kleine gespikkelde bekers hangen vaak buiten bereik tussen mos. Een verrekijker is hier echt nuttig, en het is geen toeval dat er weinig herbariummateriaal van bestaat. Let op de hoogte: onder ongeveer 1200 m op Mulu is de kans groter dat een vergelijkbare plant Nepenthes fusca is, en hoger in de bergen neemt Nepenthes hurrelliana het over.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst als niet in gevaar (Least Concern). De soort komt op meerdere plaatsen in het bergland van Borneo voor, deels binnen beschermde gebieden zoals Gunung Mulu, en haar epifytische levenswijze in moeilijk bereikbaar bergbos maakt haar minder kwetsbaar voor verzamelaars. Het geringe aantal herbariumvondsten weerspiegelt vooral hoe lastig ze te vinden is, niet per se dat ze zeldzaam is. Als lid van het geslacht Nepenthes staat ze in CITES bijlage II, zodat internationale handel in wilde planten een vergunning vereist. Ontbossing van het heuvel- en bergland buiten de parken blijft een algemene bedreiging.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes vogelii | Schuiteman & de Vogel, 2002

Beschreven door André Schuiteman & Eduard Ferdinand de Vogel in 2002, in "Nepenthes vogelii (Nepenthaceae): a new species from Sarawak", Blumea, deel 47, nr. 3, p. 537-540. Kelabit-hoogland, Sarawak, Maleisisch Borneo; verzameld als kiemplant in 1997 door A. Vogel, A. Schuiteman & T. Roelfsema (exemplaar 981037, bewaard in het herbarium SAR). Precieze coördinaten en hoogte zijn niet bekend. Vernoemd naar Art Vogel, botanicus en voormalig beheerder van de kas van de Hortus Botanicus Leiden, die het typemateriaal zelf tot volwassenheid opkweekte.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.