Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes treubiana

Nepenthes treubiana

Een forse laaglandklimmer van de westpunt van Nieuw-Guinea en het eiland Misool, met grote, bolle onderbekers en brede trechters hoog in de struiken. Nepenthes treubiana werd in 1891 beschreven door de Duitse botanicus Otto Warburg en vernoemd naar Melchior Treub, de invloedrijke directeur van de botanische tuin van Buitenzorg (Bogor). De naam heeft een verwarde geschiedenis: Macfarlane en later Danser gebruikten hem voor planten uit Sumatra die nu Nepenthes sumatrana heten. Wie in oudere literatuur over deze soort leest, moet dus goed nagaan welke plant bedoeld is.

Nepenthes treubiana
Foto: Stewart McPherson — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een grote klimplant die zes tot negen meter hoog in de vegetatie klimt, met ronde stengels van 0,8 tot 1,3 cm dik, soms met ribben of smalle vleugels. De bladeren zijn groot en duidelijk gesteeld: een bladschijf van 30 tot 39 cm lang en 7 tot 12 cm breed, lancetvormig tot langwerpig, op een bladsteel van 7 tot 15 cm met smalle vleugels die langs de stengel aflopen. De bladranden zijn dicht behaard. De onderbekers zijn kruikvormig tot bijna bolrond, tot 20 cm hoog en 10 cm breed, met twee gefranjerde vleugels tot bijna twee centimeter breed en een afgerond peristoom van ongeveer anderhalve centimeter met kleine tandjes aan de binnenrand. De bovenbekers zijn trechtervormig tot breed trechtervormig, bij de mond iets ingesnoerd, meestal 14 tot 24 cm hoog en 6 tot 7,5 cm breed, met een ondiep elliptische, vaak holle mond en een peristoom van 4 tot 12 mm met duidelijke ribben.

Gelijkende soorten

De Flora Malesiana onderscheidt de soort van Nepenthes sumatrana en Nepenthes rafflesiana, waarop ze in bekervorm lijkt, door drie kenmerken: de tandjes op het peristoom, de dicht behaarde bladranden en de gelijkmatig verdeelde klieren onder het deksel. Beide verwanten komen bovendien niet in Nieuw-Guinea voor, zodat verwarring in het veld vooral in de literatuur speelt. In het eigen gebied zijn Nepenthes mirabilis en Nepenthes ampullaria de gewone laaglandsoorten. De eerste heeft slankere, meestal ongevleugelde bovenbekers en een smaller peristoom; de tweede heeft kleine, ronde bekers met een teruggeslagen deksel die in dichte groepen op de grond staan.

De val en hoe hij werkt

Twee duidelijk verschillende bekers aan één plant. De onderbekers zijn bol en ruim, met brede gefranjerde vleugels die als loopplank werken voor kruipende dieren zoals mieren en kevers; het brede peristoom met kleine tandjes aan de binnenrand maakt de rand lastig om weer uit te komen. De bovenbekers hangen aan lange ranken hoog in het struikgewas en zijn trechtervormig, met een smallere, sterk geribde rand; ze vangen vooral vliegende insecten. In beide gevallen lokt nectar op het peristoom en onder het deksel de prooi naar de gladde rand, en onderin staat verteringsvloeistof. Specifiek prooionderzoek aan deze soort is in de geraadpleegde literatuur niet gevonden.

Standplaats en ecologie

De randen van Agathis-bos en kustbos in het laagland, van zeeniveau tot ongeveer 500 m (B5, B2). De soort wordt ook genoemd van de kliffen langs de McCluer-golf en van de kuststreek van het schiereiland Fakfak. Het gaat om lichte, open plaatsen aan de rand van bos, waar de plant met zijn lange stengels in de omringende begroeiing omhoog kan klimmen naar het licht. De bodems in deze streken zijn vaak kalkrijk of zandig en voedselarm, en de vangst vult het tekort aan stikstof en fosfor aan.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in het westen van Nieuw-Guinea: het schiereiland Vogelkop rond Sorong, de kust van de McCluer-golf en het schiereiland Fakfak, en daarnaast het eiland Misool met enkele kleinere eilanden in de omgeving. Op Misool zijn grote populaties bevestigd. Onze eigen soortenlijst noemt Nieuw-Guinea en de Molukken; Misool ligt in de Raja Ampat-groep en wordt historisch soms tot de Molukken gerekend, maar bestuurlijk en biogeografisch hoort het bij Nieuw-Guinea. Van de eigenlijke Molukse eilanden, zoals Halmahera of Seram, is de soort in de geraadpleegde bronnen niet bekend.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 4 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten of vormen beschreven, en er zijn geen natuurlijke hybriden bekend. De variatie in het veld betreft vooral het verschil tussen de bolle, gevleugelde onderbekers en de slankere trechtervormige bovenbekers, en de grootte van de bovenbekers, die van ongeveer 11 tot 24 cm hoog kunnen zijn. Wie de oudere literatuur raadpleegt, moet letten op de verwarring met Nepenthes sumatrana: beschrijvingen van 'N. treubiana' door Macfarlane (1908) en Danser (1928) gaan grotendeels over die Sumatraanse soort en zeggen dus weinig over de variatie van de echte Nepenthes treubiana.

Waar en wanneer te zien

Sorong is de toegangspoort tot de Vogelkop en de Raja Ampat-eilanden, en van daaruit is ook Misool per boot bereikbaar. Zoek langs bosranden en kustkliffen, niet in gesloten bos: de plant groeit waar licht de vegetatie binnenvalt. De bovenbekers hangen vaak hoog, maar de grote, bolle onderbekers aan jonge planten liggen soms dicht bij de grond aan de voet van de begroeiing. Op Misool is de soort volgens opgaven plaatselijk talrijk. Het gebied is dunbevolkt en de infrastructuur beperkt; reis met lokale begeleiding en vraag toestemming voordat je grond betreedt.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst als niet in gevaar (Least Concern). Het verspreidingsgebied is weliswaar beperkt tot het westen van Nieuw-Guinea en omliggende eilanden, maar de soort komt er op meerdere plaatsen voor, met grote populaties op Misool, en veel van het gebied is dunbevolkt. Als lid van het geslacht Nepenthes staat de soort in CITES bijlage II, zodat internationale handel in wilde planten een vergunning vereist. Houtkap, aanleg van plantages en infrastructuur in de kuststreek van de Vogelkop zijn algemene bedreigingen voor laaglandbos in de regio; specifieke bedreigingen voor deze soort worden in de geraadpleegde literatuur niet genoemd.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes treubiana | Warburg, 1891

Beschreven door Otto Warburg in 1891; de exacte publicatie (tijdschrift/werk) kon niet met zekerheid worden achterhaald. De precieze typelocatie kon niet met zekerheid worden achterhaald. De soort komt voor op de kliffen van de McCluer-golf en het kustgebied van het Fakfak-schiereiland, westelijk Nieuw-Guinea, en op het eiland Misool. Vernoemd naar Melchior Treub, botanicus en directeur van 's Lands Plantentuin in Buitenzorg (het huidige Bogor).

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.