Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes eymae

Nepenthes eymae

Een kannenplant met bovenbekers in de vorm van een wijnglas: een lange, smalle steel die bovenaan plotseling uitwaaiert tot een brede kom. Nepenthes eymae werd in 1984 beschreven door de Japanse kannenplantkenner Shigeo Kurata, naar materiaal van de Lumut in Midden-Sulawesi, en genoemd naar de Nederlandse botanicus Pieter Johannes Eyma, die in de jaren dertig in de bergen van Sulawesi verzamelde. Vier dagen later beschreven Turnbull en Middleton dezelfde plant als N. infundibuliformis; Kurata's naam heeft voorrang. Het is een van de meest verbreide bergsoorten van het eiland.

Nepenthes eymae
Foto: Picture taken by JeremiahsCPs,Engulish Wikipedia user in kweek — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes eymae — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Derek Keats in kweek — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een krachtige klimplant tot acht meter, met een tweeribbige stengel van 5 tot 8 mm dik. Aan rozetten kunnen de bladeren tot 35 cm lang en 12 cm breed worden; aan de klimstengels zijn ze kleiner, langwerpig-elliptisch, meestal 8 tot 13 cm. De onderbekers zijn cilindrisch, net onder de mond licht ingesnoerd, 10 tot 18 cm hoog, met gefranjerde vleugels. De bovenbekers zijn de blikvanger: onderaan een smalle, gebogen buis die vanaf de helft tot driekwart van de hoogte snel verwijdt tot een brede kom, tot zo'n 15 cm hoog en 8 cm breed. Het peristoom is aan de voorzijde smal en wordt naar het deksel toe breder en golvend. Het deksel is smal en bijna driehoekig, met een spits.

Gelijkende soorten

De soort behoort tot het N. maxima-complex en kan op Sulawesi met Nepenthes maxima zelf worden verward. Het verschil zit in de bovenbekers: die van N. eymae zijn vleugelloos, trechter- tot wijnglasvormig en relatief klein, met een smal, driehoekig tot spiesvormig deksel; die van N. maxima zijn langer, smal trechtervormig, vaak gevleugeld, met een eirond deksel. Waar beide soorten samen groeien, kunnen overgangsvormen voorkomen, wat determinatie lastig maakt.

De val en hoe hij werkt

Een valkuil waarvan de bovenbekers bijna letterlijk een trechter vormen. De brede kom bovenaan vangt vliegende insecten, en het naar de achterzijde toe verbrede, golvende peristoom vergroot het oppervlak waarop ze landen en uitglijden. Nectarklieren op het peristoom en onder het deksel lokken de prooi; de smalle buis eronder bevat de verteringsvloeistof, waaruit een eenmaal gevallen insect moeilijk kan ontsnappen. De onderbekers, met vleugels als looppad, staan op de grond en vangen vooral lopend gedierte. Een prooistudie is niet gepubliceerd. Onderzoek aan andere soorten van het geslacht heeft laten zien dat het peristoom werkt door 'aquaplaning': een dun waterlaagje op het fijn geribbelde oppervlak maakt het zo glad dat de hechtkussentjes van insectenpoten er geen vat meer op krijgen. De val werkt dus het best als het vochtig is, wat in nevelwoud bijna altijd het geval is.

Standplaats en ecologie

Bergbos en open standplaatsen in de bergen tussen ongeveer 1000 en 2000 m, meestal boven 1400 m (B1, B5). Flora Malesiana noemt kammen in mosbos; andere bronnen noemen ook heidebos, rivieroevers, rotswanden, aardverschuivingen en verstoord secundair bos. De soort is dus minder kieskeurig dan veel verwanten en profiteert van open, lichte plekken.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Sulawesi, waar ze wijdverbreid is in de bergen van Midden-Sulawesi, inclusief het oostelijke schiereiland, en ook bekend is uit West-Sulawesi. Dat stemt overeen met de aanduiding 'Sulawesi' in de eigen soortenlijst. Een deel van de populaties ligt in het natuurreservaat Morowali. Sulawesi ligt ten oosten van de lijn van Wallace, in de overgangszone tussen de Aziatische en de Australische flora en fauna, en telt veel minder kannenplanten dan Borneo; des te opvallender is dat een groot deel van de soorten op het eiland endemisch is.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 4 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten of wilde vormen formeel beschreven. De bekers variëren van groen tot sterk rood gevlekt, en de mate waarin de bovenbeker verwijdt, verschilt tussen planten. Er zijn geen bevestigde natuurlijke hybriden, maar waar de soort samen met N. maxima groeit, wordt uitwisseling van erfelijk materiaal vermoed. Zoals alle kannenplanten is de soort tweehuizig: er zijn mannelijke en vrouwelijke planten, en voor zaadzetting moeten beide in bloei staan. De kleine, onopvallende bloemen staan in trossen of pluimen en worden door insecten bestoven; de zaden zijn licht en worden door de wind verspreid.

Waar en wanneer te zien

Omdat de soort wijdverbreid is en ook langs verstoorde plekken groeit, is ze een van de gemakkelijker te vinden bergsoorten van Sulawesi. Kijk in het bergland van Midden-Sulawesi langs open plekken, bosranden en aardverschuivingen boven ongeveer 1400 m naar de karakteristieke wijnglasvormige bovenbekers, die vaak vrij in de struiken hangen. Reken in de bergen op dagelijkse regen, koude nachten en bloedzuigers op de paden, en neem voldoende tijd: de meeste bekers worden pas gevonden door langzaam te lopen en de vegetatie systematisch af te zoeken.

Staat van instandhouding

De IUCN Rode Lijst beoordeelt de soort als niet in gevaar (Least Concern, beoordeling 2018): ze is wijdverbreid en plaatselijk algemeen, de meeste populaties zijn afgelegen en niet ernstig bedreigd, en een deel ligt in beschermd gebied. Als lid van het geslacht Nepenthes staat de soort in CITES bijlage II, zodat internationale handel in wilde planten een vergunning vereist.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes eymae | Kurata, 1984

Nepenthes eymae werd op 6 februari 1984 beschreven door Shigeo Kurata, in The Journal of Insectivorous Plant Society 35(2): 41-44 — vier dagen eerder dan een gelijktijdige, onafhankelijke beschrijving door Turnbull en Middleton (die tot een andere soort, N. glabrata, bleek te leiden). Het holotype (Kurata, Atsumi & Komatsu 102a) werd op 5 november 1983 verzameld op de noordelijke uitloper van de berg Lumut, centraal Sulawesi, op 1850 m hoogte. De noordelijke uitloper van de berg Lumut, centraal Sulawesi, Indonesië, op 1850 m hoogte. De soortsnaam eert Pierre Joseph Eyma, een Nederlandse botanicus die uitgebreid in Nederlands-Indië werkte en de soort oorspronkelijk ontdekte. Kurata gebruikte aanvankelijk de spelling "eymai", maar latere auteurs pasten dit aan naar "eymae" omdat de naamvorm, ondanks dat Eyma een man was, grammaticaal vrouwelijk moet zijn.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.