Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes glabrata
Nepenthes glabrata
Een kleine, sierlijke kannenplant van de bergen van Midden-Sulawesi, genoemd naar haar kaalheid: glabrata betekent 'kaal gemaakt'. De soort werd in 1983 verzameld in een houtconcessie in Midden-Sulawesi door J.R. Turnbull en A.T. Middleton, die haar in februari 1984 in het tijdschrift Reinwardtia beschreven. Het is een van de soorten waarmee in de jaren tachtig duidelijk werd hoe rijk de bergen van Sulawesi aan kannenplanten zijn; sindsdien zijn er van het eiland nog diverse nieuwe soorten beschreven, vooral uit de bergen van het centrum.

Herkenning
Een kleine klimplant van twee tot drie meter, met dunne stengels van 2 tot 3 mm en smalle, tongvormige bladeren van 8,5 tot 12 cm lang en meestal minder dan 2 cm breed. De onderbekers zijn klein en bolvormig. De bovenbekers zijn kort cilindrisch tot licht trechtervormig, 7 tot 14 cm hoog en 2 tot 3 cm breed, met twee opvallende, gladde vleugels zonder franjes tot 1 cm breed. Het peristoom is zeer smal, 1 tot 2,5 mm, en cilindrisch, met onduidelijke ribbels en, ongewoon voor het geslacht, zonder tandjes aan de binnenrand. Het deksel is rond, iets breder dan lang, ongeveer 3 cm. De bekers zijn meestal groen tot roodachtig.
Gelijkende soorten
De naaste verwant is Nepenthes pitopangii, die kleinere, geheel trechtervormige bovenbekers zonder vleugels heeft. N. glabrata behoort tot de groep rond Nepenthes tentaculata, met N. hamata en N. nigra, maar mist de lange tanden van N. hamata en de donkere kleur en beharing van N. nigra. Het smalle, tandloze peristoom en de gladde vleugels aan de bovenbekers zijn samen de beste kenmerken.
De val en hoe hij werkt
Een kleine valkuil met een zeer smal peristoom. Juist omdat het peristoom zo smal is, speelt het als glijbaan een kleinere rol dan bij soorten met een breed peristoom; de binnenwand van de beker, met een waszone, draagt waarschijnlijk meer bij aan het vasthouden van prooi. De gladde vleugels aan de voorzijde van de bovenbekers kunnen als looppad dienen voor mieren en andere klimmende insecten. Nectarklieren liggen op het peristoom en onder het deksel. Een prooistudie is niet gepubliceerd. In de bekervloeistof van veel Nepenthes-soorten leeft bovendien een eigen kleine levensgemeenschap van muggenlarven, mijten en andere dieren, die van de gevangen prooi meeleven; of dat ook bij deze soort zo is, is niet onderzocht.
Standplaats en ecologie
Open, hoog bergbos tussen ongeveer 1600 en 2100 m, waar de plant op de grond groeit en in de lage vegetatie omhoog klimt (B1). Het gaat om het vochtige, bemoste bergbos van Midden-Sulawesi, met een koel klimaat en zure, voedselarme bodems. De plant komt vaak samen met andere kannenplanten voor, wat verklaart waarom natuurlijke hybriden relatief vaak worden gevonden. Voor een kannenplant is zo'n standplaats gunstig: de voortdurende vochtigheid houdt de bekers gevuld en het peristoom glad, terwijl de arme bodem weinig stikstof en fosfor levert, zodat de extra voeding uit prooi een echt voordeel geeft.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Sulawesi, in de provincie Midden-Sulawesi, waar ze op verschillende bergen van het centrale deel van het eiland voorkomt. Dat stemt overeen met de aanduiding 'Sulawesi' in de eigen soortenlijst. De typelocatie lag in een houtconcessie, wat illustreert dat ook deze bergbossen niet onaangetast zijn. Sulawesi ligt ten oosten van de lijn van Wallace, in de overgangszone tussen de Aziatische en de Australische flora en fauna, en telt veel minder kannenplanten dan Borneo; des te opvallender is dat een groot deel van de soorten op het eiland endemisch is.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of wilde vormen beschreven. De kleur van de bekers varieert van groen tot roodachtig, afhankelijk van de hoeveelheid licht. Natuurlijke hybriden zijn gemeld met N. hamata, N. maxima, N. nigra en N. tentaculata, overal waar hun verspreidingsgebieden overlappen.
Waar en wanneer te zien
De soort groeit in het bergland van Midden-Sulawesi, onder meer in en rond het Nationaal Park Lore Lindu, dat vanuit Palu bereikbaar is. Zoek boven ongeveer 1600 m langs open plekken in het bergbos naar kleine, slanke bovenbekers met twee brede, gladde vleugels. Omdat verwante soorten in hetzelfde gebied groeien, loont het de bekers goed te bekijken: hybriden komen voor. Reken in de bergen op dagelijkse regen, koude nachten en bloedzuigers op de paden, en neem voldoende tijd: de meeste bekers worden pas gevonden door langzaam te lopen en de vegetatie systematisch af te zoeken.
Staat van instandhouding
De IUCN Rode Lijst beoordeelt de soort als niet in gevaar (Least Concern, beoordeling 2015). De soort komt op meerdere bergen voor, en een deel van de populaties ligt in beschermde gebieden. Houtkap en ontginning in het bergland van Midden-Sulawesi kunnen lokaal populaties aantasten. Als lid van het geslacht Nepenthes staat de soort in CITES bijlage II.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes glabrata | Turnbull & Middleton, 1984
Nepenthes glabrata werd op 10 februari 1984 beschreven door John R. Turnbull en Anne T. Middleton (aanvankelijk als "N. glabratus") in Reinwardtia 10(2): 107-111. Vier dagen eerder had Shigeo Kurata dezelfde soort al beschreven als "N. rubromaculata", maar die naam bleek ongeldig — een latere homoniem van een tuinbouwhybride die al in 1891 was gepubliceerd. Het holotype werd op 31 augustus 1983 verzameld in de houtkapconcessie van Tri Tunggal Eboni Corp., centraal Sulawesi (1°33'Z, 120°55'O), op 1666 m hoogte; het exemplaar zou in het Herbarium Bogoriense liggen, maar onderzoekers konden het daar later niet meer terugvinden. De houtkapconcessie van Tri Tunggal Eboni Corp., centraal Sulawesi, Indonesië (1°33'Z, 120°55'O), op 1666 m hoogte. De naam komt van het Latijnse "glaber" ("kaal, glad") en verwijst naar het grotendeels onbehaarde karakter van de plant.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.