Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes pitopangii
Nepenthes pitopangii
Een van de kleinste kannenplanten van Sulawesi, met bovenbekers die nauwelijks vier centimeter hoog worden. Nepenthes pitopangii werd in 2009 beschreven door Ch'ien Lee, Stewart McPherson, Greg Bourke en M. Mansur, en genoemd naar de Indonesische botanicus Ramadhanil Pitopang van de Universiteit Tadulako in Palu, die het typemateriaal in 2007 verzamelde. De soort viel op doordat haar bovenbekers, anders dan bij de verwanten, geheel trechtervormig en haast even breed als hoog zijn. Ze was aanvankelijk slechts van één plek bekend, in secundaire begroeiing binnen het Nationaal Park Lore Lindu.

Herkenning
Een tamelijk tere klimplant met dunne stengels van 3 tot 5 mm en lancetvormige, spitse bladeren van 10 tot 16 cm lang en 2 tot 3,5 cm breed. De onderbekers zijn klein, tot ongeveer 6 cm hoog en 3 cm breed. De bovenbekers zijn het herkenningspunt: volledig trechtervormig, slechts 3,8 tot 4,5 cm hoog maar tot 3,7 cm breed, met een smal, cilindrisch peristoom van 1 tot 3 mm met duidelijke ribbels. Het deksel is bijna rond, ongeveer 2,9 cm, en staat horizontaal boven de mond. De bloeiwijze is voor zo'n kleine plant opvallend groot: een mannelijke tros tot 37 cm lang.
Gelijkende soorten
De naaste verwant is Nepenthes glabrata, een soort van dezelfde bergen met eveneens kleine bekers. N. glabrata heeft echter veel langere, smallere bovenbekers, tot 14 cm, met twee duidelijke vleugels, terwijl die van N. pitopangii kort, breed en trechtervormig zijn. Beide horen bij de groep rond Nepenthes tentaculata, waartoe op Sulawesi ook N. hamata, N. nigra, N. maryae en N. undulatifolia worden gerekend.
De val en hoe hij werkt
Een kleine valkuil, in wezen gebouwd als bij de rest van het geslacht: nectarklieren op het peristoom en onder het deksel, een geribbeld peristoom dat glad wordt als het nat is, en verteringsvloeistof onderin. Het horizontaal gehouden deksel beschermt de brede mond van de bovenbeker tegen regen, zodat de vloeistof niet te veel verdunt. Bij zo'n klein volume zullen vooral kleine prooidieren zoals mieren en kleine vliegen worden gevangen, maar een prooistudie is niet gepubliceerd. Onderzoek aan andere soorten van het geslacht heeft laten zien dat het peristoom werkt door 'aquaplaning': een dun waterlaagje op het fijn geribbelde oppervlak maakt het zo glad dat de hechtkussentjes van insectenpoten er geen vat meer op krijgen. De val werkt dus het best als het vochtig is, wat in nevelwoud bijna altijd het geval is.
Standplaats en ecologie
Bergbos op 1400 tot 1800 m hoogte (B1, B5). De typelocatie was secundaire begroeiing in submontaan bos, een plek waar het oorspronkelijke bos eerder was verstoord; de tweede bekende groeiplaats is een open, lage begroeiing tussen dwergbomen in bemost bergbos. De soort lijkt dus open, lichte plekken te verkiezen, zoals veel kleine kannenplanten.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Sulawesi. Bekend van het Nationaal Park Lore Lindu in Midden-Sulawesi, rond 1800 m, en van een tweede groeiplaats op het noordelijke schiereiland, rond 1400 m, meer dan honderd kilometer daarvandaan. Dat stemt overeen met de aanduiding 'Sulawesi' in de eigen soortenlijst. De grote afstand tussen de twee plaatsen doet vermoeden dat de soort op meer, nog niet onderzochte bergen voorkomt. Sulawesi ligt ten oosten van de lijn van Wallace, in de overgangszone tussen de Aziatische en de Australische flora en fauna, en telt veel minder kannenplanten dan Borneo; des te opvallender is dat een groot deel van de soorten op het eiland endemisch is.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of wilde vormen beschreven, en van zo weinig populaties is over variatie nauwelijks iets bekend. Natuurlijke hybriden zijn niet gepubliceerd, al groeien in hetzelfde gebied verwante soorten waarmee kruising mogelijk zou zijn.
Waar en wanneer te zien
Het Nationaal Park Lore Lindu is vanuit Palu over land bereikbaar en heeft rangers en enkele paden in het bergbos. De soort is klein en onopvallend: zoek op open, verstoorde plekken en langs bosranden naar kleine, brede trechterbekers in lage begroeiing. Omdat ze kwetsbaar is en door verzamelaars wordt gezocht, is het verstandig vindplaatsen niet te delen. Reken in de bergen op dagelijkse regen, koude nachten en bloedzuigers op de paden, en neem voldoende tijd: de meeste bekers worden pas gevonden door langzaam te lopen en de vegetatie systematisch af te zoeken.
Staat van instandhouding
De IUCN Rode Lijst beoordeelt de soort als kwetsbaar (Vulnerable). Het aantal bekende groeiplaatsen is zeer klein, en ondanks de ligging in een nationaal park worden planten volgens de beoordeling door verzamelaars bedreigd. Verstoring aan de randen van het park, voor landbouw en houtwinning, speelt eveneens een rol. Als lid van het geslacht Nepenthes staat de soort in CITES bijlage II, zodat internationale handel een vergunning vereist. Nieuw beschreven kannenplanten worden vaak snel gewild in de handel, en de ervaring met andere soorten leert dat dit tot plundering van kleine populaties kan leiden voordat weefselkweek de vraag opvangt.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes pitopangii | Lee, McPherson, Bourke & Mansur, 2009
Nepenthes pitopangii werd in oktober 2009 beschreven door Ch'ien C. Lee, Stewart McPherson, Greg Bourke en Muhammad Mansur, in The Gardens' Bulletin Singapore; een gedetailleerde beschrijving was al in mei 2009 verschenen in McPhersons Pitcher Plants of the Old World. Het holotype werd op 30 mei 2007 verzameld door Rahmadanil Pitopang, wat het vroegste bekende herbarium-materiaal van deze soort vormt. Het Lore Lindu National Park, centraal Sulawesi, Indonesië, op ongeveer 1800 m hoogte; vanwege de extreme zeldzaamheid van de soort is de precieze typelocatie bewust niet in de formele beschrijving vrijgegeven, als beschermingsmaatregel tegen plantenverzamelaars. De soortsnaam eert Rahmadanil Pitopang, conservator van het Herbarium Celebense aan de Universitas Tadulako, die het holotype verzamelde.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.