Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes jacquelineae
Nepenthes jacquelineae
Een ontdekking uit de recente Nepenthes-geschiedenis. In juli 2000 vonden Charles Clarke en Troy Davis in het Barisangebergte ten noorden van Bukittinggi, West-Sumatra, een plant waarvan de bovenbekers een peristoom dragen dat als een brede, gladde kraag rond de mond ligt, tot 3,5 cm breed. Clarke beschreef de soort in 2001 in zijn monografie Nepenthes of Sumatra and Peninsular Malaysia en noemde haar naar zijn vrouw Jacqueline. Het typemateriaal werd door Clarke, Davis en Rusjdi Tamin verzameld en ligt in het herbarium van de Universitas Andalas in Padang.



Herkenning
Een klimplant met een stengel tot 5 m lang en hoogstens 5 mm dik, rond tot hoekig, met leden tot 10 cm. De rozetbladeren zijn leerachtig, eirond-spatelvormig, tot 7 cm lang en 3,5 cm breed; de bladeren aan de klimstengel zijn groter, tot 20 cm lang en 6 cm breed, met ranken tot 30 cm die in het midden een krul hebben. De onderbekers zijn klein: tot 6 cm hoog en 4 cm breed, geheel trechtervormig, met een horizontale mond, soms met smalle vleugels, en een afgeplat peristoom tot 1 cm. De bovenbekers zijn veel groter en onmiskenbaar: tot 15 cm hoog en 10 cm breed, wijd trechtervormig, met een glad, sterk verbreed peristoom tot 3,5 cm breed en een deksel tot 5 bij 2 cm. Aan de onderkant van het deksel zitten opvallend grote, kratervormige klieren tot 1,5 mm, uniek onder de Sumatraanse soorten. Stengel en blad zijn kaal; de buitenkant van de bekers draagt korte, witte sterharen. De meest voorkomende kleur is een groene beker met een rood peristoom.
Gelijkende soorten
Verwant aan Nepenthes flava, N. inermis, N. jamban, N. talangensis en N. tenuis, maar met geen van alle te verwarren zodra de bovenbekers zichtbaar zijn. N. flava uit Noord-Sumatra heeft eveneens een breed, golvend peristoom, maar geheel gele bekers en een smal eirond deksel zonder de grote kraterklieren. N. inermis, die in hetzelfde gebied voorkomt, heeft vrijwel geen peristoom. N. izumiae uit hetzelfde bergland heeft langere, cilindrischer bekers. De kleine onderbekers zijn lastiger; let op het peristoom en de sterharen.
De val en hoe hij werkt
Het brede peristoom werkt als een glijbaan: als het nat is, verliezen insecten die erop landen hun houvast, en de ribbels voeren ze naar binnen. Daarnaast bevat de beker een uiterst stroperige vloeistof die tegelijk als valkuil en als vliegenpapier werkt. De combinatie is effectief voor grote vliegende insecten: in de bekers worden geregeld kakkerlakken, bijen en motten gevonden. De grote kraterklieren onder het deksel scheiden nectar af en lokken de prooi boven de mond. De onderbekers, die in het veenmos verzonken liggen, vangen kleine bodemdieren, waaronder slakken.
Standplaats en ecologie
Dicht bemost bergnevelwoud (B1) tussen 1700 en 2200 m, waar dagelijks regen valt, mist vrijwel permanent tussen de bomen hangt, en het koel en schemerig is. De soort groeit epifytisch op bemoste stammen en takken of op de grond in de dikke moslaag, vaak tussen veenmos. De bovenbekers hangen aan de ranken van klimmende stengels vrij in de lucht.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Sumatra, in het Barisangebergte van de provincie West-Sumatra, ten noorden van Bukittinggi, tussen 1700 en 2200 m. De soort is alleen van een klein aantal bergen in dat gebied bekend. De wereldchecklist geeft als gebied alleen Sumatra.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen formele variëteiten beschreven. De kleur varieert: naast de gangbare groene bekers met rood peristoom worden ook andere kleurvormen gemeld, maar die zijn in de gebruikte bronnen niet nader omschreven. Natuurlijke hybriden zijn gemeld met N. izumiae, die op dezelfde bergen groeit en roodachtige bekers oplevert waarin de kenmerken van N. jacquelineae overheersen, en met N. dubia, van één plant.
Waar en wanneer te zien
Het bergland ten noorden van Bukittinggi is te bereiken vanuit de stad, maar de standplaatsen liggen in steil, dicht bemost bos zonder gebaande paden; ga alleen met een lokale gids. Kijk omhoog: de grote bovenbekers met hun brede, rode kraag hangen vaak op enkele meters hoogte in de bomen. De kleine onderbekers liggen in het mos en zijn gemakkelijk te vertrappen. Door haar opvallende uiterlijk is de soort gewild bij verzamelaars; deel daarom geen precieze locaties.
Staat van instandhouding
De soort is niet door de IUCN beoordeeld (NE). Clarke schatte haar in 2001 zelf in als onvoldoende bekend (Data Deficient). Het verspreidingsgebied is klein en ligt buiten nationale parken, en de opvallende bekers maken haar kwetsbaar voor overmatig verzamelen; ook bosbranden en ontginning bedreigen het bergbos in deze streek. Als lid van het geslacht staat ze in CITES bijlage II.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes jacquelineae | Clarke, Davis & Tamin, 2001
Nepenthes jacquelineae werd in juli 2000 ontdekt door Charles Clarke en Troy Davis, en formeel beschreven in Clarkes monografie Nepenthes of Sumatra and Peninsular Malaysia (2001). Het holotype (Clarke, Davis & Tamin 1307) werd op 13 juli 2000 verzameld en ligt in het Herbarium Universitas Andalas (ANDA). Ten noorden van Bukittinggi, West-Sumatra, op ongeveer 1700 m hoogte. De soort is vernoemd naar Jacqueline Clarke, de echtgenote van Charles Clarke.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.