Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes graciliflora

Nepenthes graciliflora

De meest verbreide kannenplant van de Filipijnen, en tegelijk een soort die bijna een eeuw lang niet als soort erkend werd. Adolph Elmer beschreef Nepenthes graciliflora in 1912 naar planten van Mount Guiting-Guiting op Sibuyan. Hij vond haar 'kennelijk heel anders dan de soort van Blanco', de Nepenthes alata uit 1837, maar gaf geen kenmerken om de twee te scheiden, en latere botanici als Merrill en Macfarlane brachten haar dan ook onder Nepenthes alata. Pas in 2013, toen Martin Cheek en Matthew Jebb de alata-groep herzagen, werd ze weer als afzonderlijke soort erkend.

Nepenthes graciliflora
Foto: Craig Robson — CC BY-NC 4.0 · GBIF

Herkenning

Een slanke klimplant uit de groep rond Nepenthes alata, met gevleugelde bladstelen en een lijst aan de onderzijde van het deksel. De bovenbekers zijn eirond-cilindrisch, het breedst in de onderste helft en naar boven toe cilindrisch; het peristoom is smal en rond in doorsnede, met een gave buitenrand. Het deksel draagt aan de voet een symmetrisch, niet-gehaakt aanhangsel en heeft geen aanhangsel aan de top. Die kenmerken zijn vooral bruikbaar in vergelijking met verwante soorten die later van de soort zijn afgesplitst of naast haar beschreven, zoals Nepenthes leyte en Nepenthes maximoides. Voor deze gids waren geen toetsbare maten van de soort als geheel beschikbaar; de maatvelden blijven daarom leeg. Wie de soort wil determineren, doet er goed aan uit te gaan van het eiland en de hoogte, en daarna de kenmerken van beker en deksel met de verwanten te vergelijken.

Gelijkende soorten

Het grootste probleem is de verwarring met Nepenthes alata. In de huidige, beperkte opvatting van Cheek en Jebb is Nepenthes alata een soort van Luzon, terwijl Nepenthes graciliflora van Luzon tot Mindanao voorkomt; een groot deel van wat vroeger en in de handel als 'Nepenthes alata' werd aangeduid, behoort tot deze soort. Van Nepenthes leyte verschilt ze doordat die sterharen op de buitenkant van de beker heeft en twee soorten nectarklieren onder het deksel. Nepenthes maximoides heeft smal trechtervormige bovenbekers met een breed, gelobd peristoom en een haakvormig dekselaanhangsel. Nepenthes ultra groeit in het laagland op ultramafische grond. Op elk eiland moet de soort dus worden onderscheiden van de plaatselijke endemen van dezelfde groep.

De val en hoe hij werkt

Een slanke valkuil van het type dat in de alata-groep gangbaar is. Het smalle, ronde peristoom wordt bij vocht glad; het deksel schermt de mond af tegen regen en draagt aan de onderzijde nectarklieren rond het basale aanhangsel, zodat de lokstof precies boven de mond ligt. De bekers zijn het breedst onderaan, waar de verteringsvloeistof staat, en versmallen naar boven, wat ontsnappen bemoeilijkt. Een soort met zo'n groot verspreidingsgebied en zo'n brede hoogtemarge zal een gevarieerde prooi hebben, maar gericht onderzoek naar de prooi van deze soort in haar huidige omgrenzing ontbreekt.

Standplaats en ecologie

Bemost submontaan bos, meestal tussen 800 en 1280 m (B1); de typecollectie van Sibuyan komt van 300 m, maar dat wordt in de Flora-behandeling als mogelijk afwijkend beschouwd. De soort staat ook op open ultramafische bodem (R3): in het noordoosten van Mindanao werd ze op de Red Hills bij Claver gevonden in open struweel, samen met Nepenthes merrilliana, en op Sibuyan groeit ze op de hellingen van het ultramafische Guiting-Guiting-massief. Van veel herbariumcollecties ontbreken betrouwbare gegevens over leefgebied en hoogte.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op de Filipijnen, met het grootste verspreidingsgebied van alle Filipijnse kannenplanten. Op Luzon is ze bekend van de Zambales-keten en Mount Mariveles, van de Sierra Madre met San Luis als noordelijkste vindplaats en Infanta, van Mount Makiling in Laguna en van Sorsogon op het schiereiland Bicol. In de Visayas staat ze op Mindoro, Sibuyan, Panay, Samar, Leyte en Bohol, en verder op Mindanao. Betrouwbare opgaven van Palawan en van enkele grote Visayas-eilanden, zoals Cebu en Negros, ontbreken. De aanduiding 'Mindanao tot Luzon' in onze soortenlijst klopt dus.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 7 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Door het grote verspreidingsgebied is de variatie in maat en kleur aanzienlijk, en daarbovenop komt de onduidelijke afbakening met verwante soorten: sinds 2013 zijn verschillende eilandpopulaties die vroeger onder Nepenthes alata of deze soort werden gerekend, als aparte soorten beschreven, zoals Nepenthes leyte, Nepenthes negros en Nepenthes ultra. Welke variatie binnen de soort valt en welke een nog onbeschreven soort aanduidt, is daarom op sommige eilanden nog open. Variëteiten worden niet onderscheiden.

Waar en wanneer te zien

De gemakkelijkste plek op Luzon is Mount Makiling bij Los Baños, een bekende, goed begaanbare berg met een universiteitsbos, waar de soort al lang bekend is. Zoek in bemost bos vanaf ongeveer 800 m langs het pad naar slanke, groene tot rood gevlekte bekers die aan ranken in de struiken hangen. Op Sibuyan staat de soort op de klimroute naar Guiting-Guiting, onder de zone van Nepenthes sibuyanensis. Omdat de soort op elk eiland verwanten naast zich kan hebben, is een foto van de onderzijde van het deksel altijd nuttig.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst staat de soort als niet in gevaar (Least Concern): ze heeft een zeer groot verspreidingsgebied over vele eilanden en bergen, en komt voor in verschillende beschermde gebieden. Plaatselijk wordt haar bos wel aangetast door ontginning en mijnbouw, zoals in het ultramafische noordoosten van Mindanao. Zoals alle Nepenthes staat ze in CITES bijlage II.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes graciliflora | Elmer, 1912

Nepenthes graciliflora werd in 1912 beschreven door Adolph Daniel Edward Elmer, in "Nepenthaceae" (Leaflets of Philippine Botany 4: 1494-1496), onderdeel van zijn reeks "Two score of new plants". Het eiland Sibuyan, Filipijnen, waar het typemateriaal op slechts 300 m hoogte werd verzameld. De naam is vermoedelijk samengesteld uit het Latijnse "gracilis" ("slank, tenger") en "flos/florus" ("bloem"), "slank-bloemig" — een rechtstreeks beschrijvende naam, al is een expliciete bevestiging van deze afleiding in de toegankelijke bronnen niet gevonden.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.