Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes harauensis

Nepenthes harauensis

Een bekerplant die pas in 2022 werd beschreven, uit een streek die botanisch toch al goed bekend was: de zandsteenkloven van Harau in West-Sumatra, waar inmiddels elf Nepenthes-soorten zijn gevonden. Nepenthes harauensis onderscheidt zich van zijn bergverwanten door iets wat bij de hooglandsoorten van Sumatra verder vrijwel ontbreekt: duidelijk gesteelde, dik leerachtige bladeren, met een rank die niet aan de top maar een eindje onder de bladpunt aan de onderkant is ingeplant. Het is een kleine soort van schaduwrijke rotswanden, met roodgroene tot donkerrode onderbekers.

Van deze soort staat nog geen foto met een Creative Commons-licentie of uit het publiek domein in de gids.

Herkenning

Een klimplant op de grond tot ongeveer 3 m hoog, met cilindrische korte scheuten van 0,8 tot 1 cm dik en hoekige klimstengels van een halve centimeter met leden van 4 tot 7 cm. De bladeren zijn dik leerachtig en gesteeld; de bladsteel van 2 tot 6 cm omvat de stengel voor driekwart. De bladschijf is elliptisch-langwerpig, aan korte scheuten 9,5 tot 16 cm lang en 5 tot 7 cm breed, aan klimstengels kleiner. De ranken zijn schildvormig ingeplant, met twee of drie windingen. De onderbekers zijn in de onderste helft eivormig, snoeren in tot een heup en worden daarboven cilindrisch, met gefranjerde vleugels en een peristoom dat van voren smal is en naar achteren tot 1,4 cm verbreedt; het deksel is hartvormig-rond, 4 tot 5 cm. De bovenbekers zijn onderaan smal eivormig en daarboven cilindrisch en naar de mond iets wijder, met gereduceerde vleugels.

Gelijkende soorten

De naaste verwanten zijn Nepenthes bongso en N. singalana, twee hooglandsoorten van West-Sumatra. N. harauensis onderscheidt zich door de sterk gesteelde bladeren, die bij de montane soorten van Sumatra verder niet voorkomen, en door de schildvormige inplanting van de rank, die hij alleen met N. bongso en N. rigidifolia deelt. De bekers zijn in de bovenste helft plotseling cilindrisch of iets verwijd, in plaats van eivormig; aan de top van de dekselonderkant zit een ronde, verdikte uitstulping; en het peristoom mist de naar binnen verbrede rand van de verwanten. De beschrijvers achtten een hybride oorsprong onwaarschijnlijk, omdat mogelijke oudersoorten in Harau ontbreken.

De val en hoe hij werkt

Een valkuil van het gewone type, in twee vormen. De onderbekers staan op of bij de grond aan de voet van de rotswanden, zijn gevleugeld en vangen vooral lopend gedierte. De bovenbekers ontspringen zijdelings aan de rank, zijn smaller en hebben een smaller peristoom van enkele millimeters, met aan weerszijden drie kleine lobben. Het deksel draagt aan de top van de onderkant een ronde, verdikte uitstulping; of die, zoals bij verwante soorten, als nectarlokmiddel werkt, is niet onderzocht. Over de prooi van deze soort is niets gepubliceerd.

Standplaats en ecologie

Beschaduwde rotswanden in laag, gedrongen bos op zandsteenheuvels, op 1100 tot 1400 m hoogte (B1). De plant groeit op de grond aan de voet en op richels van die wanden, in een kloofachtig landschap van zandsteenontsluitingen. Andere bekerplanten in dezelfde omgeving zijn onder meer N. adnata, N. albomarginata en N. tenuis. De zandsteen levert een arme, zure bodem, en de schaduw en de vochtige lucht in de kloven houden de omstandigheden het hele jaar koel en nat.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Sumatra, Indonesië, en bekend uit één streek: Harau, in het regentschap Lima Puluh Kota in de provincie West-Sumatra. Daar zijn minstens zes populaties gevonden, alle in beschermd bosgebied. Hoogte: 1100 tot 1400 m. De gebiedsaanduiding in onze soortenlijst (West-Sumatra) klopt met de beschrijving en de wereldchecklist.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten of vormen beschreven. Stengel en middennerf zijn lichtgroen, soms purperrood; de bladeren zijn van boven lichtgroen en van onder bleker. De onderbekers zijn roodgroen met donkerrode vlekken tot geheel donkerrood; de bovenbekers zijn smaller en lichter. Natuurlijke hybriden zijn niet vermeld; de beschrijvers bespreken wel uitdrukkelijk de mogelijkheid dat de plant zelf een hybride zou zijn en verwerpen die, omdat geen combinatie van de in Harau aanwezige soorten deze kenmerken kan opleveren.

Waar en wanneer te zien

Harau is een bekend landschapsgebied met steile zandsteenwanden, bereikbaar vanuit Payakumbuh. De soort groeit niet langs de toeristische wegen in het dal, maar hoger in de heuvels, op schaduwrijke wanden in gedrongen bos boven 1100 m; zoek hem alleen met een lokale gids en met toestemming van de beheerders van het beschermde gebied. Let op de gesteelde, dikke bladeren en de rank die onder de bladpunt ontspringt: daaraan is de plant ook zonder bekers te herkennen. Neem niets mee; de populaties zijn klein.

Staat van instandhouding

In de Rode Lijst-gegevens die deze gids gebruikt, heeft de soort geen beoordeling (Not Evaluated). De beschrijving noemt minstens zes populaties in het typegebied, met naar schatting minder dan honderd jonge planten. Alle bekende groeiplaatsen liggen in beschermd bos, maar de beschrijvers waarschuwen dat illegaal verzamelen een bedreiging kan worden als er niet tijdig beheer komt; nieuw beschreven soorten zijn bij verzamelaars zeer gewild. De soort staat, zoals het hele geslacht, in CITES bijlage II.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes harauensis | Hernawati, Satria & Lee, 2022

Nepenthes harauensis werd op 30 juni 2022 beschreven door Hernawati, Rizki Satria en Ch'ien C. Lee, in Reinwardtia 21(1): 19-23. De Harau-regio (Harau-vallei), West-Sumatra, Indonesië — de enige plek waar de soort endemisch voorkomt. De soortsnaam is afgeleid van de typelocatie, de Harau-regio in West-Sumatra, volgens de gangbare botanische conventie voor geografische soortsnamen.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.