Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes hemsleyana
Nepenthes hemsleyana
De kannenplant die zijn stikstof van vleermuizen krijgt. Nepenthes hemsleyana is een laaglandsoort uit de veenmoerassen en heidebossen van Noordwest-Borneo, en haar bovenbekers dienen als slaapplaats voor de kleine vleermuis Kerivoula hardwickii. De vleermuis vindt er een droge, veilige rustplaats; de plant vangt de uitwerpselen op en haalt daaruit een groot deel van haar stikstof. De soort werd in 1908 door Macfarlane beschreven, maar raakte twintig jaar later als synoniem van Nepenthes rafflesiana uit beeld. Pas in 2013 werd de oude naam weer in ere hersteld, nadat de plant in 2011 onder een nieuwe naam, N. baramensis, opnieuw was beschreven.


Herkenning
Een klimplant tot zes meter, sterk gelijkend op N. rafflesiana maar 'in alle opzichten langgerekt'. De bovenste bladeren hebben verhoudingsgewijs langere bladschijven en kortere bladstelen dan bij N. rafflesiana. De onderbekers worden tot 20 cm hoog, zijn dunwandig en hebben twee vleugels aan de voorzijde. De bovenbekers zijn lange, smalle trechters van 18 tot 25 cm hoog en 3 tot 5 cm breed, met onder de 'heup' een klierzone en daarboven een waslaag. Het peristoom is bijna cilindrisch, tot 8 mm breed aan de voorzijde, en loopt aan de binnenkant uit in tandjes; het deksel is breed eirond en draagt geen aanhangsels. De bovenbekers zijn meestal groen tot geelgroen.
Gelijkende soorten
De verwarring met Nepenthes rafflesiana is begrijpelijk: beide groeien in hetzelfde laagland en lijken op elkaar. De bovenbekers van N. hemsleyana zijn echter langer en slanker, missen de uv-patronen die bij N. rafflesiana insecten lokken, produceren minder nectar en geur, en bevatten een waterigere, minder stroperige vloeistof. Het belangrijkste verschil zit in de achterwand van de bovenbeker: die heeft bij N. hemsleyana een schotelvormige structuur die geluid veel sterker terugkaatst. In 2011 beschreven Clarke, Moran en Lee de plant als N. baramensis; in 2013 toonden Scharmann en Grafe aan dat Macfarlane's naam voorrang heeft.
De val en hoe hij werkt
De bovenbeker is hier meer slaapkamer dan val. Onderzoek van Ulmar Grafe, Michael en Caroline Schöner en collega's liet zien dat de wolhaarvleermuis Kerivoula hardwickii geregeld in de bovenbekers rust, en dat de plant gemiddeld zo'n 34 procent van haar bladstikstof uit de uitwerpselen van de vleermuizen haalt. De beker is daarop ingericht: het vloeistofniveau blijft laag, zodat de vleermuis erboven kan hangen, en de achterwand werkt als een geluidsreflector die de echolocatieroep van de vleermuis sterk terugkaatst, zodat hij de beker in dicht bos kan vinden. Vleermuizen in deze bekers zijn in betere conditie en hebben minder parasieten dan soortgenoten die andere schuilplaatsen gebruiken. Insecten worden nog steeds gevangen, maar in mindere mate.
Standplaats en ecologie
Laagland onder 200 m hoogte, in veenmoerasbos en heidebos op arme witte zandgrond (B4, B3), het kerangas en de natte variant ervan, kerapah. Beide bostypen zijn voedselarm, zuur en nat, met een relatief open kronendak. De vleermuizen die de plant bezoeken, horen bij hetzelfde bos; waar het bos verdwijnt, verdwijnen ook de vleermuizen, en daarmee de belangrijkste stikstofbron van de plant.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Borneo, bekend uit het district Baram en de omgeving van Bintulu en Miri in Sarawak, uit het Nationaal Park Gunung Mulu, en uit de districten Belait en Tutong in Brunei. Een voorkomen in het Kapuasgebied in West-Kalimantan wordt genoemd maar is onbevestigd. Dat stemt overeen met de aanduiding in de eigen soortenlijst. De typelocatie lag bij een rotsige heuvel nabij een Kedayan-nederzetting; die omgeving is inmiddels sterk aangetast door ontbossing en oliepalmplantages.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of wilde kleurvormen beschreven. Natuurlijke hybriden zijn bekend met N. ampullaria en N. rafflesiana, in Brunei vooral op verstoorde plekken. Omdat N. rafflesiana zelf zeer variabel is en de twee soorten naast elkaar groeien, is een zorgvuldige determinatie van de bovenbekers nodig; onderbekers alleen zijn moeilijk toe te wijzen. Zoals alle kannenplanten is de soort tweehuizig: er zijn mannelijke en vrouwelijke planten, en voor zaadzetting moeten beide in bloei staan. De kleine, onopvallende bloemen staan in trossen of pluimen en worden door insecten bestoven; de zaden zijn licht en worden door de wind verspreid.
Waar en wanneer te zien
In Brunei en rond Miri en Bintulu in Sarawak groeit de soort in heide- en veenbos dat vaak via bestaande paden bereikbaar is, bijvoorbeeld in beschermde bossen en nationale parken. Kijk naar lange, slanke bovenbekers die op een meter of twee hoogte in de struiken hangen; verstoor vleermuizen die erin rusten niet door in bekers te kijken of ze te bewegen. Houd rekening met de nabijheid van N. rafflesiana en vergelijk de bekervorm.
Staat van instandhouding
Er is geen IUCN-beoordeling onder deze naam (Not Evaluated), wat ook samenhangt met de late herwaardering van de soort. Wat bekend is: veenmoerasbos en heidebos in Sarawak en Brunei zijn de afgelopen decennia op grote schaal ontgonnen voor oliepalm en andere landbouw, en ook de typelocatie is aangetast. De soort komt wel voor in beschermde gebieden zoals Gunung Mulu. Als lid van het geslacht Nepenthes staat ze in CITES bijlage II.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes hemsleyana | Macfarlane, 1908
Nepenthes hemsleyana werd in 1908 beschreven door John Muirhead Macfarlane, in zijn monografie "Nepenthaceae" (in A. Englers Das Pflanzenreich); Macfarlane onderscheidde de soort van de nauw verwante N. rafflesiana op basis van onder meer de bladnerven, de lange, slanke rank en de smalle, langwerpige bekers. Het typemateriaal werd al in 1877 verzameld door Frederick William Burbidge, op een rotsachtige heuvel van ongeveer 150 m hoog, zo'n 3 km van de Kedayan-nederzetting Meringit, bij de Meropok-tak van de Lawasrivier, Sarawak, Borneo; drie exemplaren van Burbidge liggen in de Royal Botanic Gardens, Kew, waarvan K000651485 als lectotype is aangewezen. Een rotsachtige heuvel bij de Meropok-tak van de Lawasrivier, nabij Meringit, Sarawak, Borneo, op ongeveer 150 m hoogte. De soortsnaam eert de Engelse botanicus William Botting Hemsley, die eerder andere Nepenthes-soorten beschreef, zoals N. macfarlanei en N. smilesii.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.