Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes hurrelliana

Nepenthes hurrelliana

Een van de meest behaarde kannenplanten van Borneo, met een vacht van grove, roestbruine haren die zelfs de bovenkant van het blad en het deksel bedekt. Martin Cheek en Anthony Lamb beschreven de plant in 2003 van de berg Lumarku in het zuidwesten van Sabah. Een belangrijke kanttekening: in 2019 concludeerden Robinson en collega's, na een expeditie naar de typelocatie van de sinds 1925 niet meer teruggevonden Nepenthes mollis, dat N. hurrelliana en N. mollis dezelfde soort zijn. Omdat mollis de oudere naam is, heet de plant volgens die opvatting N. mollis. Deze gids voert beide namen nog apart; de tekst hieronder beschrijft de planten die als hurrelliana bekend werden.

Nepenthes hurrelliana
Foto: JeremiahsCPs — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes hurrelliana — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: JeremiahsCPs — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes hurrelliana — de standplaats
De standplaats · Foto: JeremiahsCPs — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een vertakte klimplant tot zeven meter, met bladeren tot 35 cm die op de bovenzijde behaard zijn, wat in het geslacht ongewoon is. De stengel, middennerf en rank zijn geelgroen, en vrijwel alle delen dragen grove oranje tot bruine haren tot 5 mm lang. De onderbekers zijn smal trechtervormig, tot 28 cm hoog, met een peristoom dat aan de zijkanten en achterzijde sterk verbreed is, tot zo'n 6 cm, en een horizontale mond. De binnenkant is olijfgroen of geelachtig, gevlekt met donkerrood, paars of zwart. De bovenbekers lijken erop maar zijn smaller, vooral onderaan, tot 30 cm lang, met een lichtere wand en fellere tekening. Onder het smalle deksel zit een driehoekig, licht gehaakt aanhangsel, vaak behaard.

Gelijkende soorten

Cheek en Lamb vermoedden bij de beschrijving dat de plant uit een oude kruising tussen Nepenthes fusca en Nepenthes veitchii kon zijn ontstaan: de bovenbekers doen aan N. fusca denken, het verbrede peristoom aan N. veitchii. Van beide verschilt ze door de dichte roestbruine beharing, het brede peristoom met lange hals en de gevlekte binnenkant. De vraag of de plant apart staat van N. mollis, bekend van één exemplaar zonder bekers uit 1925, kon pas worden beantwoord toen die soort in het veld werd teruggevonden; Robinson en collega's zagen geen verschil.

De val en hoe hij werkt

Een valkuil met een bijzonder brede, naar achteren uitgetrokken peristoomkraag. Het peristoom draagt nectarklieren en wordt glad als het nat is; een brede kraag vergroot het oppervlak waarop insecten landen en uitglijden. Het deksel draagt aan de onderzijde nectarklieren. In epifytische bekers op de Lumarku is een goudkleurige boomkikker van het geslacht Philautus aangetroffen, die de beker als schuilplaats of broedplek gebruikt, zoals meer kikkers op Borneo doen. Over de prooisamenstelling is weinig gepubliceerd.

Standplaats en ecologie

Hoog, bemost bergbos en boven-montaan bos tussen ongeveer 1500 en 2400 m, waar de plant meestal als epifyt tot tien meter hoog in de bomen groeit (B1). Ze komt ook voor in lage, bemoste heidebegroeiing op bergkammen, en groeit slechts zelden op de grond. Opvallend is dat ze nooit samen met haar vermoedelijke ouders N. fusca en N. veitchii wordt gevonden, wat een argument was om haar als soort te behandelen in plaats van als hybride. Voor een kannenplant is zo'n standplaats gunstig: de voortdurende vochtigheid houdt de bekers gevuld en het peristoom glad, terwijl de arme bodem weinig stikstof en fosfor levert, zodat de extra voeding uit prooi een echt voordeel geeft.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Borneo, bekend van bergen in het noorden van Sarawak, waaronder de Mulu, de Murud en de Meligan-keten, van de Lumarku in het zuidwesten van Sabah en uit Brunei. Dat stemt overeen met de aanduiding 'Borneo, Brunei, Sabah' in de eigen soortenlijst, al ligt een groot deel van de bekende groeiplaatsen in Sarawak, dat daar ontbreekt. Als de planten tot N. mollis worden gerekend, strekt de soort zich ook uit tot het Kemul-massief in Oost-Kalimantan.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten of wilde kleurvormen beschreven. De mate van vlekking aan de binnenkant van de bekers varieert sterk. Er zijn zeldzame natuurlijke hybriden gemeld met Nepenthes lowii en met N. veitchii. Let op de naamgeving: in deze gids staan N. hurrelliana en N. mollis als twee records, terwijl de recentste revisie ze samenvoegt.

Waar en wanneer te zien

De best bereikbare groeiplaats is het Nationaal Park Gunung Mulu in Sarawak, waar de beklimming van de Mulu een tocht van meerdere dagen is met overnachting in eenvoudige kampen. Boven ongeveer 1500 m, in het bemoste bos, moet je omhoog kijken: de meeste planten groeien als epifyt, en hun bekers hangen tussen mos en takken. De roestbruine beharing valt in het schemerlicht van het nevelwoud goed op.

Staat van instandhouding

De IUCN Rode Lijst beoordeelt de planten onder de naam N. hurrelliana als niet in gevaar (Least Concern). De soort komt op verschillende bergen voor, groeit grotendeels in moeilijk bereikbaar hooggebergte en een deel ervan ligt in beschermde gebieden, zoals het Nationaal Park Gunung Mulu. Omdat de plant nu vaak onder N. mollis wordt gerekend, kan die beoordeling in de toekomst worden samengevoegd. Als lid van het geslacht Nepenthes staat ze in CITES bijlage II.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes hurrelliana | Cheek & Lamb, 2003

Nepenthes hurrelliana werd in 2003 beschreven door Martin Cheek, Matthew Jebb, Ch'ien C. Lee, Anthony Lamb en Anthea Phillipps, in "Nepenthes hurrelliana (Nepenthaceae), a new species of pitcher plant from Borneo" (Sabah Parks Nature Journal 6: 117-124). Het typemateriaal (A. Lamb & Surat 145/99) ligt in het herbarium van de Bosbouwdienst in Sandakan (SAN), afkomstig van de berg Lumarku, Sabah. De berg Lumarku, Sabah, Borneo. De soort is vernoemd naar Andrew Hurrell, die de plant in 1995 op de berg Murud bestudeerde; zijn veldobservaties toonden aan dat ze in zichzelf in stand houdende populaties groeide, onafhankelijk van de vermoede oudersoorten, en dus als eigen soort kon worden beschouwd.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.