Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes jamban
Nepenthes jamban
Een kleine bergsoort van het Barisan-gebergte in Noord-Sumatra, in 2005 ontdekt en in 2006 beschreven, met een naam die in iedere bespreking een glimlach oplevert: jamban is het Indonesische woord voor toilet, naar de vorm van de bovenbekers, een wijde trechter op een smalle voet. Achter die grap zit een botanisch interessante plant, met een stroperig bekervocht en een smal deksel waarop twintig tot dertig grote, kratervormige nectarklieren liggen, een kenmerk dat hij alleen met één verwante soort deelt.

Herkenning
Een klimplant met een dunne stengel van minder dan 5 mm dik en tot 4 m lang, met korte leden tot 5 cm; de stengel is karakteristiek purperrood. De bladeren zijn ongesteeld en leerachtig, smal omgekeerd eirond tot elliptisch of iets spatelvormig, tot 11 cm lang en 3,3 cm breed; de rank wordt tot 24 cm. De onderbekers zijn onderaan cilindrisch tot smal trechtervormig en daarboven wijd trechtervormig, zelden hoger dan 5,8 cm, met smalle gefranjerde vleugels, een bijna horizontale mond en een afgeplat peristoom tot 8 mm; ze zijn geeloranje tot helderrood. De bovenbekers zijn in de bovenste helft wijd trechtervormig, tot 12 cm hoog en 5,2 cm breed, met een ronde, horizontale mond en een peristoom tot 6 mm; ze zijn helder geel met een geel tot oranje peristoom. Het deksel is smal, tot 4,8 cm lang en nog geen centimeter breed, en staat schuin boven de mond.
Gelijkende soorten
De soort hoort bij een groep Sumatraanse hooglandsoorten met trechtervormige, geheel met klieren beklede bekers, ongesteelde bladeren en stroperig vocht: Nepenthes dubia, N. inermis, N. jacquelineae en N. tenuis. De naaste verwant is N. jacquelineae, die dezelfde smalle dekselvorm en grote nectarklieren heeft. N. jamban is echter minder fors, mist het sterk verbrede peristoom van N. jacquelineae, heeft langere eenbloemige bloemsteeltjes en een nog smaller deksel, en groeit uitsluitend op de grond, terwijl N. jacquelineae ook epifytisch leeft. N. dubia en N. inermis missen een echt peristoom of hebben een teruggeslagen deksel.
De val en hoe hij werkt
Een val die tussen valkuil en kleefval in zit. Het vocht in de bekers is dik en slijmerig, zoals bij de verwante soorten, zodat een insect dat erin valt niet alleen niet meer langs de wand omhoog kan, maar ook aan het vocht zelf blijft plakken. Het smalle deksel draagt aan de onderkant, in het bovenste kwart, twintig tot dertig kratervormige nectarklieren tot een halve millimeter breed, die aan de bovenkant als bultjes zichtbaar zijn: een sterk lokmiddel boven de mond. De bovenbekers vangen opvallend veel grote prooi, zoals wespen en krekels, en relatief weinig kleine dieren, en herbergen grote aantallen muggenlarven.
Standplaats en ecologie
Bovenmontaan nevelwoud met veel mos en struweel op de top, tussen 1800 en 2100 m (B1). De plant groeit uitsluitend op de grond, tussen het mos en de lage struiken van de kam, en klimt met zijn dunne stengels door de vegetatie. Op dezelfde plek groeien N. bongso, N. dubia, N. gymnamphora en N. lingulata; zo'n rijke gemeenschap van bekerplanten op één bergtop is typisch voor het Barisan-gebergte. Het klimaat is koel, nat en vrijwel altijd nevelig.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Sumatra, Indonesië, en alleen bekend van de typelocatie in het Barisan-gebergte ten zuiden van Padang Sidempuan, in de provincie Noord-Sumatra. De soort werd daar in april 2005 voor het eerst verzameld. Hoogte: 1800 tot 2100 m. Onze soortenlijst noemt het Barisan-gebergte als gebied, wat klopt; het is nuttig te weten dat de vindplaats in het noordelijke deel van de keten ligt, in Noord-Sumatra.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of vormen beschreven. Het verschil tussen onder- en bovenbekers is vooral een verschil in kleur en grootte: kleine geeloranje tot rode onderbekers bij de grond, grotere helder gele bovenbekers hoger in de vegetatie, soms met gespikkelde binnenwand. Er is een natuurlijke hybride met N. lingulata gemeld, en in 2009 werd een vermoedelijke kruising met N. dubia gevonden op een plek waar beide samen met N. lingulata en N. rhombicaulis groeien.
Waar en wanneer te zien
De vindplaats ligt hoog in het Barisan-gebergte en is alleen te voet bereikbaar, met een lokale gids en na toestemming van de dorpen aan de voet van de berg. Boven 1800 m, in het struweel op de kam, zijn de gele trechters van de bovenbekers het eerst te zien; de onderbekers zitten laag in het mos en zijn met hun paar centimeter gemakkelijk te missen. Omdat er vijf bekerplantsoorten door elkaar groeien, loont het om op het smalle deksel en de purperrode stengel te letten. Niets verzamelen: het gaat om één bekende populatie.
Staat van instandhouding
In de Rode Lijst-gegevens die deze gids gebruikt, heeft de soort geen beoordeling (Not Evaluated). Wat bekend is: de soort is alleen van één bergtop gevonden, in een gebied zonder formele bescherming, en is als opvallende nieuwe soort gewild bij verzamelaars. Het bovenmontane bos zelf ligt boven de zone van landbouw en houtkap, wat de standplaats enige bescherming biedt. Zoals het hele geslacht staat N. jamban in CITES bijlage II.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes jamban | Lee, Hernawati & Akhriadi, 2006
Nepenthes jamban werd in 2006 beschreven door Ch'ien C. Lee, Hernawati en Praseno Akhriadi, in Blumea 51(3): 561-568. Het holotype (Lee, Hernawati, Akhriadi NP 433) werd op 22 april 2005 verzameld, tijdens veldexpedities in het Barisan-gebergte, Sumatra, in 2004-2005, en ligt in het Herbarium Universitas Andalas (ANDA). Ten zuiden van Padang Sidempuan, Noord-Sumatra, Indonesië, in het Barisan-gebergte. De soortsnaam is het Indonesische woord voor "toilet" en verwijst naar de vorm van de bekers.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.