Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes inermis

Nepenthes inermis

Een bekerplant zonder peristoom. Waar vrijwel elke Nepenthes een geribbelde, glanzende rand om de bekermond draagt, hebben de bovenbekers van deze soort daar niet meer dan een nauwelijks zichtbare lijn van een paar tiende millimeter. Die 'ongewapende' mond gaf haar de naam: inermis, Latijn voor onbewapend. H.A.B. Bünnemeijer verzamelde de eerste planten op 7 september 1918 op de Gunung Talang in West-Sumatra, op 2590 m; B.H. Danser beschreef de soort in 1928. Ze vangt niet zozeer met een gladde rand als wel met een uitzonderlijk stroperige vloeistof.

Nepenthes inermis
Foto: Shawn Mayes — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes inermis — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Shawn Mayes — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een klimplant tot ongeveer 7 m, met een ronde tot afgerond driehoekige stengel van 3 tot 5 mm; stengel, ranken en bloeiwijze zijn paarsrood. De bladeren zijn dun leerachtig, ongesteeld, omgekeerd lancet- tot spatelvormig of langwerpig, meestal 6,5 tot 8 cm lang (tot 12 cm) en 1 tot 2,5 cm breed. De bovenbekers zijn het kenmerk: ongeveer 5,5 cm hoog (tot 9 cm), in het onderste half tot twee derde smal cilindrisch, rond 1 cm breed, en dan abrupt uitlopend in een wijde trechter tot bijna 5 cm breed aan de mond. Een peristoom ontbreekt vrijwel: de rand is hooguit 0,2 mm breed, zonder ribben of tanden. Het deksel is smal lijnvormig, 4,5 tot 5 cm lang en nauwelijks een halve centimeter breed; het spoortje is ongedeeld en teruggebogen. De onderbekers, in de flora niet beschreven, zijn volgens Clarke (2001) trechtervormig, rond 8 cm hoog, met een smal, rond peristoom met onduidelijke tanden. De bekers zijn geelgroen.

Gelijkende soorten

De naaste verwant is Nepenthes dubia, die dezelfde trechtervormige bovenbekers met samengedrukte onderkant heeft, maar wél een duidelijk peristoom, meer klieren op het deksel, een deksel dat ver voorbij de loodlijn is teruggeslagen, en meestal geel tot oranje in plaats van groen is. N. × pyriformis, de kruising met N. talangensis op de Gunung Talang, heeft een smal maar aanwezig peristoom en een breder deksel. N. campanulata van Borneo heeft vergelijkbare klokvormige bekers, maar groeit op kalkrotsen in een ander deel van Zuidoost-Azië. N. jacquelineae en N. flava hebben integendeel een zeer breed peristoom.

De val en hoe hij werkt

Een van de merkwaardigste vallen van het geslacht. Omdat de gladde peristoomrand ontbreekt, vangt deze soort op een andere manier: de beker bevat een extreem dikke, slijmerige vloeistof die bij het omkeren van een beker als een onafgebroken draad van soms meters lang naar beneden loopt. Die vloeistof werkt tegelijk als valkuil en als vliegenpapier: insecten die in de wijde trechter terechtkomen, raken op de binnenwand of in de vloeistof vastgeplakt. De prooi bestaat vooral uit vliegen en muggen. Opvallend is dat in de bekers vrijwel geen infauna leeft, in tegenstelling tot die van veel andere soorten; de kleverige vloeistof maakt de beker kennelijk onbewoonbaar voor muggenlarven en ander waterleven.

Standplaats en ecologie

Bemost bergnevelwoud (B1), waar de soort meestal epifytisch op bemoste stammen en takken groeit; boven ongeveer 2000 m ook op de grond in laag, gedrongen bergstruikgewas (R5). Clarke (2001) geeft een hoogteverspreiding van 1500 tot 2600 m; Cheek & Jebb (2001), die alleen herbariummateriaal van de Kerinci zagen, noemen 2300 tot 2590 m. Het klimaat is koel en vrijwel altijd vochtig.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Sumatra, in het Barisangebergte van de provincies West-Sumatra en Jambi. Bekende bergen zijn de Gunung Talang, waar de typecollectie vandaan komt, de Gunung Gadut, de Gunung Belirang en de Gunung Gadang; Cheek & Jebb (2001) vermelden ook de Kerinci. De wereldchecklist geeft als gebied alleen Sumatra.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 4 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten of kleurvormen beschreven; de soort is door haar gehele verspreidingsgebied herkenbaar aan de peristoomloze bovenbekers. Natuurlijke hybriden zijn wel bekend. Op de hogere hellingen van de Gunung Talang kruist ze met N. talangensis; die kruising werd in 2001 als nieuwe soort N. pyriformis beschreven, maar geldt nu als hybride. Waar de verspreidingsgebieden elkaar raken, zijn ook hybriden met N. singalana en N. spathulata gemeld.

Waar en wanneer te zien

De Gunung Talang ten zuiden van Padang is de klassieke plek; ook hier geldt dat het nevelwoud pas boven de 1500 m interessant wordt. Zoek de bekers op bemoste stammen, vaak ruim boven ooghoogte: de wijde, groengele trechters zonder rand zijn onmiskenbaar. Een beker voorzichtig kantelen laat zien hoe stroperig de vloeistof is, maar beschadig de plant niet: afgebroken bekers worden niet vervangen. In het topgebied staan ook N. talangensis en hun hybride.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst als niet in gevaar (Least Concern): de soort komt voor op meerdere bergen in twee provincies en groeit grotendeels epifytisch in slecht bereikbaar nevelwoud. Als lid van het geslacht staat ze in CITES bijlage II. Door haar ongewone bekers is ze gewild bij verzamelaars, en populaties bij bereikbare paden lopen daardoor risico. Vuur en ontginning van de lagere berghellingen zijn verdere bedreigingen.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes inermis | Danser, 1928

Nepenthes inermis werd in 1928 beschreven door Benedictus Hubertus Danser in zijn monografie "The Nepenthaceae of the Netherlands Indies". Het lectotype (Bünnemeijer 9695, later als zodanig aangewezen door Matthew Jebb en Martin Cheek) werd op 26 april 1920 verzameld op de berg Kerintji, op 1800 m hoogte. De berg Kerintji, Sumatra, Indonesië, op 1800 m hoogte. De naam is Latijn voor "ongewapend" en verwijst naar het opvallende ontbreken van een peristoom bij de volwassen bovenste bekers van deze soort.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.