Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes naga

Nepenthes naga

Een bergsoort uit het Barisan-gebergte van Noord-Sumatra, in 2009 beschreven en genoemd naar de draak uit de plaatselijke overlevering: naga is het Indonesische woord voor draak. De verwijzing zit in het deksel, dat aan de onderkant een gevorkt, driehoekig aanhangsel draagt dat op een slangentong lijkt, en een gegolfde, gekrulde rand heeft. Het is een epifyt van het nevelwoud met grote, slanke onderbekers en een peristoom dat aan de zijkanten sterk verbreed is. Of het een eigen soort is of een variant van N. bongso, is onder specialisten niet beslist.

Nepenthes naga
Foto: Alfindra Primaldhi — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een klimplant tot ongeveer 5 m, met een stengel tot 1 cm dik en leden tot bijna 15 cm, rond tot ruitvormig in doorsnede. De bladeren zijn ongesteeld, spatelvormig tot langwerpig en leerachtig: aan de rozet tot 27 cm lang en 7,8 cm breed, aan de klimstengel tot 16 bij 6 cm. De rozetranken, tot 41 cm, zijn schildvormig ingeplant. De onderbekers zijn onderaan eivormig en daarboven cilindrisch, tot 33,5 cm hoog en 6,8 cm breed, met een peristoom dat opzij tot bijna 6 cm verbreedt en een eirond deksel tot 8,5 bij 7,2 cm met gegolfde rand. De bovenbekers zijn onderaan trechtervormig, dan eivormig en boven cilindrisch, tot 24 cm hoog en 4,5 cm breed, met een peristoom van ongeveer 1 cm. Het deksel draagt een gehaakte kam aan de voet en een gevorkt aanhangsel van tot 1,5 cm vlak onder de top.

Gelijkende soorten

De naaste verwant is Nepenthes bongso, en veel specialisten menen dat N. naga binnen de variatie van die soort valt; een recente synopsis van de Sumatraanse soorten (Biodiversitas) houdt hem wel als aparte soort aan. Van N. ovata en N. spathulata, die eveneens brede peristomen en spatelvormige bladeren kunnen hebben, verschilt hij door het gevorkte aanhangsel onder het deksel en de gegolfde dekselrand. In het veld is dat aanhangsel het beslissende kenmerk: kijk van onder in het deksel. Zonder aanhangsel of met een onverdeeld aanhangsel gaat het om een verwante soort.

De val en hoe hij werkt

Een valkuil met een uitgesproken lokapparaat. Het gevorkte aanhangsel onder het deksel draagt grote nectarklieren van een halve tot een hele millimeter doorsnede, en de gehaakte kam aan de voet van het deksel ligt vlak boven de mond. Een insect dat op die klieren foerageert, staat boven de opening. Het peristoom van de onderbekers is aan de zijkanten zeer breed, tot bijna 6 cm, met tanden tot 4 mm aan de binnenrand, en vormt een groot glad oppervlak rond de mond; bij de bovenbekers is het smal. De sporen zijn plat met een gevorkte top. Over de prooi is niets gepubliceerd.

Standplaats en ecologie

Een epifyt van bemost montaan nevelwoud (B1), op 1500 tot 2000 m. De vegetatie wordt gedomineerd door bomen uit de napjesdragersfamilie (Fagaceae) en varens uit de familie Gleicheniaceae, met allerlei bergstruiken. De plant wortelt in het mos op stammen en takken en klimt door de kroon; de rozetbladeren en de grote onderbekers vormen zich waar de plant op een stevige, bemoste ondergrond zit. Het klimaat is koel, vrijwel altijd nat en vaak nevelig.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Sumatra, Indonesië, en bekend van één kleine populatie in het Barisan-gebergte in de provincie Noord-Sumatra. Hoogte: 1500 tot 2000 m. De gebiedsaanduiding in onze soortenlijst (Noord-Sumatra) klopt met de beschrijving en de wereldchecklist. Hoe ver de soort zich in het gebergte uitstrekt, is niet bekend.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 2 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten of vormen beschreven en er zijn geen natuurlijke hybriden bekend. Het verschil tussen onder- en bovenbekers is groot: onderbekers van ruim 30 cm met een zeer breed peristoom, bovenbekers van hooguit 24 cm met een smal peristoom en een eigen, op een trechter lijkende voet. Omdat de soort bij sommigen als vorm van N. bongso geldt, moeten gegevens uit de literatuur van vóór 2009 over 'bongso' uit dit deel van het gebergte met voorzichtigheid worden gelezen.

Waar en wanneer te zien

De soort groeit in het nevelwoud van het Barisan-gebergte en is alleen met een meerdaagse tocht, een lokale gids en toestemming van de dorpen te bereiken. Omdat hij epifytisch leeft, hangen de bekers vaak op meters hoogte in de bemoste kroon: een verrekijker is nuttiger dan een loep. Wie een beker onder handbereik vindt, kan het deksel voorzichtig van onderen bekijken zonder het te buigen; het gevorkte aanhangsel is met het blote oog zichtbaar. Verzamelen is verboden en de populatie is klein.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst staat de soort als kwetsbaar (Vulnerable). De enige bekende populatie is klein en ligt in onbeschermd gebied, dat bedreigd wordt door de uitbreiding van rubberplantages en door illegaal verzamelen van planten; opvallende nieuwe soorten zijn bij verzamelaars zeer gewild. Het montane bos boven de landbouwzone biedt enige bescherming, maar geen formele. Als lid van het geslacht staat N. naga in CITES bijlage II.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes naga | Akhriadi, Hernawati, Primaldhi & Hambali, 2009

Nepenthes naga werd in 2009 beschreven door Pitra Akhriadi, Hernawati, Alfindra Primaldhi en Muhammad Hambali, in Reinwardtia 12(5): 339-342. Het holotype werd op 27 juli 2007 verzameld op 1500-2000 m hoogte in het Barisan-gebergte, Noord-Sumatra, en ligt in het herbarium van de Universitas Andalas (ANDA), Padang, West-Sumatra; een isotype ligt in het Herbarium Bogoriense (BO). Het Barisan-gebergte, Noord-Sumatra, Indonesië, op 1500-2000 m hoogte. De naam is het Indonesische woord voor "draak" en verwijst naar twee kenmerken: het karakteristieke gevorkte aanhangsel op het dekseltje van de beker en de opvallend grote bekers zelf. Daarnaast verwijst de naam naar lokale volksverhalen uit het Barisan-gebergte over draken die daar vroeger zouden hebben geleefd.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.