Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes pectinata
Nepenthes pectinata
De Sumatraanse tegenhanger van de Javaanse Nepenthes gymnamphora, en een naam waarover de meningen verdeeld zijn. B.H. Danser beschreef N. pectinata in 1928; de naam, 'kamvormig', verwijst naar het peristoom met zijn hoge, dunne, dicht op elkaar staande ribben. Auteurs vóór Danser zagen de Sumatraanse planten als een variëteit van N. gymnamphora, en Clarke (2001) voegde ze opnieuw bij die soort. Cheek & Jebb (2001) en de synopsis van Hernawati en collega's (2022) houden ze gescheiden, en de wereldchecklist, die deze gids volgt, aanvaardt beide namen.


Herkenning
Een klimplant tot ongeveer 4 m, met een ronde stengel tot 1 cm dik. De bladeren aan de klimstengel zijn dun leerachtig, ongesteeld, elliptisch-spatelvormig tot langwerpig, 15 tot 27 cm lang en 3 tot 6 cm breed, met een spitse top en een wigvormige of breed gevleugelde voet die geleidelijk versmalt en langs de stengel afloopt; de bladrand is aan de onderkant meestal dicht behaard. Rozetbladeren zijn sterk verkleind, soms maar 3 cm lang. De onderbekers zijn ellipsoïde tot kruikvormig, naar de mond versmald, 6 tot 16 cm hoog en 2 tot 6,5 cm breed, met twee gefranjerde vleugels van 2 tot 5 mm. Het peristoom is 2 tot 12 mm breed, met opvallende, dunne, papierachtige ribben op 0,8 tot 2 mm van elkaar: de 'kam' uit de naam. Het deksel meet 2 tot 7,3 bij 1,5 tot 5,3 cm; het spoortje is draadvormig of plat, 1 tot 4 mm. Bovenbekers worden in de meeste populaties zelden gevormd; ze zijn 7 tot 22 cm hoog, met een peristoom tot 2,5 cm breed. Jonge bekers zijn dicht bruin viltig behaard met sterharen. De onderbekers zijn groen, dicht gevlekt met kastanjebruin.
Gelijkende soorten
Het verschil met Nepenthes gymnamphora is subtiel: bij N. pectinata versmalt het blad geleidelijker naar de voet en loopt het langs de stengel af, is de bladrand aan de onderkant dicht behaard, en is de hele plant viltiger. N. singalana, op dezelfde bergen, heeft een smal, dun peristoom zonder opvallende ribben en geen brede vleugels. N. densiflora, ooit als kruising van N. bongso en N. pectinata beschouwd, groeit in het noorden van het eiland. N. bongso heeft veel langere, slankere bovenbekers.
De val en hoe hij werkt
De onderbekers, met hun brede, gefranjerde vleugels en het sterk geribbelde peristoom, zijn typische grondvallen voor lopende dieren. De hoge, dunne ribben van het peristoom vormen samen een geribbeld oppervlak dat bij vocht zeer glad wordt: een insect dat van de vleugel naar de rand loopt, verliest daar zijn houvast. Nectarklieren op de rand en onder het deksel lokken de prooi. Omdat bovenbekers in veel populaties zeldzaam zijn, vangt de soort vooral op en vlak boven de grond.
Standplaats en ecologie
Heuvelregenwoud met dipterocarpen en nat, bemost bergbos op bergkammen (B2, B1), over een brede hoogtezone van ongeveer 950 tot 2750 m. De soort groeit vooral op de grond, in de moslaag en langs open plekken op de kammen, en klimt door het struikgewas.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Sumatra, in het midden van het Barisangebergte. Het lectotype, in 1994 aangewezen door Schlauer en Nerz, is afkomstig van het Talakmau-massief in West-Sumatra. De exacte grenzen van het verspreidingsgebied hangen af van de opvatting over de soort: wie N. pectinata bij N. gymnamphora onderbrengt, ziet één soort over een groot deel van Sumatra en Java. De wereldchecklist geeft voor N. pectinata alleen Sumatra.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten beschreven. Omdat Clarke (2001) en veel latere literatuur de soort bij N. gymnamphora onderbrengen, worden natuurlijke hybriden meestal onder die naam gemeld; de hybriden die van Sumatra voor N. gymnamphora worden opgegeven, met onder meer N. bongso, N. singalana en N. spathulata, hebben dus in de opvatting van Cheek & Jebb betrekking op N. pectinata. Een door Danser in 1928 gemelde kruising van N. bongso met N. pectinata blijkt N. densiflora te zijn.
Waar en wanneer te zien
De vulkanen en bergkammen van West-Sumatra, van het Talakmau-massief zuidwaarts, zijn de plek. Kijk op de kammen naar de gevlekte onderbekers in het mos, met hun brede franjes en het opvallend geribbelde, kamvormige peristoom. Wie het onderscheid met N. gymnamphora wil maken, voelt aan de bladrand (dicht behaard of niet) en kijkt hoe de bladvoet langs de stengel afloopt.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst als niet in gevaar (Least Concern): de soort heeft een groot verspreidingsgebied en een brede hoogteamplitude, en groeit op veel bergen in slecht bereikbaar bos. Als lid van het geslacht staat ze in CITES bijlage II. Ontginning van de lagere hellingen, waar ook heuvelregenwoud tot haar leefgebied behoort, is de voornaamste bedreiging.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes pectinata | Danser, 1928
Nepenthes pectinata werd in 1928 beschreven door Benedictus Hubertus Danser in zijn monografie "The Nepenthaceae of the Netherlands Indies"; de oorspronkelijke beschrijving bleek later problematisch, omdat er materiaal van een andere soort in was meegenomen. In 1994 wezen Jan Schlauer en Joachim Nerz een lectotype aan (Bünnemeijer 700, verzameld op de berg Talakmau). De taxonomische status blijft omstreden: sommige autoriteiten beschouwen de soort als hetzelfde als N. gymnamphora (golf 23), andere houden haar op grond van morfologische verschillen (blad, bekerafmetingen, voortplantingsstructuren) als eigen soort aan. De berg Talakmau, Sumatra, Indonesië — dezelfde berg als N. dubia (golf 21). De naam is Latijn voor "kamvormig".
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.