Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes robcantleyi

Nepenthes robcantleyi

Een van de meest besproken kannenplanten van de afgelopen decennia, en een soort die beschreven werd naar een plant in een kas. In januari 1997 vond de kweker Robert Cantley op een afgelegen berg op Mindanao, in een houtkapconcessie, twee volwassen planten met enorme, bijna zwarte bekers. Hij verzamelde zaad; kort daarna werd het bos gekapt, en twee zoektochten in de volgende jaren leverden niets meer op. Uit dat zaad groeiden elf planten, en naar een daarvan werd de soort in 2011 door Martin Cheek beschreven.

Nepenthes robcantleyi
Foto: Alastair Robinson — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een forse, niet-klimmende struik van een halve tot een meter hoog, met een stengel van ongeveer twee centimeter dik en zeer grote, dik leerachtige bladeren: de bladschijf is langwerpig-elliptisch en tot ruim 28 cm lang en bijna even breed, aan een bladsteel tot 23 cm. De bekers die van deze soort beschreven zijn, zijn tussenbekers van ongeveer 33 cm hoog en 9,5 cm breed, breed cilindrisch, met twee brede gefranjerde vleugels langs de voorzijde. Het meest opvallende onderdeel is het peristoom: vooraan ongeveer twee centimeter breed, maar naar achteren toe uitwaaierend tot vijf à tien centimeter, met hoge, vleugelachtige ribben en tanden van drie à vier millimeter aan de binnenrand. Het deksel is breed eirond tot rond, zo'n 9,5 cm, met op de bovenzijde een verhoogde bult. Bekers en peristoom zijn diep roodbruin tot bijna zwart en glanzend; binnenin is de beker helder groen met paarse vlekken. De mannelijke bloeiwijze kan ruim twee meter lang worden, de langste die van het geslacht bekend is.

Gelijkende soorten

De naaste verwant is Nepenthes truncata, die ook op Mindanao groeit en eerder als de ouder van deze soort is genoemd. Die heeft een smaller, rond peristoom van ongeveer twee centimeter met dicht opeen staande ribben, en bij volwassen bekers zijn de vleugels teruggebracht tot richels zonder franje. Van de Borneose Nepenthes veitchii, waaraan het brede peristoom doet denken, verschilt hij door het ronde in plaats van langwerpige deksel, het uitgesproken aanhangsel aan de voet van het deksel en vooral door de vrijwel kale, glanzende oppervlakte; Nepenthes veitchii is dicht behaard. Het meest verwarrend is Nepenthes nebularum uit het zuidoosten van Mindanao: ook donker en met een breed peristoom. Het verschil zit in de vorm van het deksel en de beharing, en de verhouding tussen de twee soorten is nog onderwerp van discussie.

De val en hoe hij werkt

Een valkuil van uitzonderlijke afmetingen. Het extreem brede, aflopende peristoom werkt als een gladde landingsbaan: de ribben staan tot anderhalve millimeter hoog en worden door een laagje water spekglad, zodat een insect dat op de rand landt naar binnen glijdt. Onder het deksel liggen de nectarklieren dicht opeen rond het basale aanhangsel, precies boven de mond, waardoor bezoekers juist boven de val worden gelokt. De gefranjerde vleugels langs de voorzijde bieden kruipende dieren een route naar boven. Onderin staat een verteringsvloeistof. Over de prooi in het wild is niets gepubliceerd; de enige wilde planten die goed bekeken zijn, stonden al kort na de ontdekking niet meer.

Standplaats en ecologie

De oorspronkelijke planten groeiden in submontaan groenblijvend bos op ongeveer 1800 m (B1), op de grond en in de volle zon; een plant van ongeveer anderhalve meter doorsnee was toen nog niet volwassen. Latere waarnemingen van vergelijkbare planten elders op Mindanao, door Andy Smith in 2011 en 2013 en door Wally Suarez in 2012, betroffen planten die uitsluitend epifytisch groeiden, hoog in bomen. Het is dus goed mogelijk dat de soort in de natuur vooral in de boomkronen leeft en dat de grondplanten van 1997 een uitzondering waren.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Mindanao. De precieze vindplaats is om beschermingsredenen nooit gepubliceerd, en deze gids noemt die ook niet. Of de latere waarnemingen van epifytische planten op andere plekken werkelijk dezelfde soort betreffen, is niet definitief vastgesteld, al beschreef Smith ze als morfologisch overeenkomend en mogelijk soortgelijk. Het hoogteveld geeft de ene gepubliceerde waarde van de typeplaats.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Van de wilde populatie is geen variatie beschreven, en vrijwel alle planten die mensen ooit gezien hebben, stammen af van de elf zaailingen uit 1997. Een van de in de Verenigde Staten opgekweekte zaailingen maakte bekers die ongeveer het midden hielden tussen deze soort en Nepenthes truncata, wat erop wijst dat die twee in het wild kruisen. Er is ook geopperd dat Nepenthes robcantleyi zelf een natuurlijke hybride is, van Nepenthes truncata en Nepenthes nebularum; kunstmatig gemaakte kruisingen van die twee lijken er echter niet op, en de meeste auteurs houden beide voorlopig als nauw verwante, afzonderlijke soorten aan.

Waar en wanneer te zien

Een wilde plant zien is vrijwel uitgesloten: de typeplaats is vernietigd, de andere vindplaatsen worden niet bekendgemaakt en de planten groeien hoog in de bomen. De soort is wel te zien in botanische tuinen en op grote tuinbouwtentoonstellingen. Wie een plant bekijkt, lette op de verhouding tussen de voor- en achterkant van het peristoom: die trechtervormige uitwaaiering naar achteren, met ribben als kleine vinnen, is het kenmerk dat hem van Nepenthes truncata scheidt.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst staat de soort als bedreigd (Endangered). Cheek schatte hem bij de beschrijving zwaarder in, als ernstig bedreigd, en merkte op dat hij in het wild al uitgestorven kon zijn; de latere waarnemingen van epifytische planten maken dat minder waarschijnlijk. De bedreiging is het verdwijnen van submontaan bos op Mindanao door houtkap en landbouw, en daarnaast verzameldruk: dit is een van de meest begeerde kannenplanten. De soort staat in CITES bijlage II. Dat de meeste handel draait op nakomelingen van de zaailingen uit 1997, vermindert de druk op de wilde planten.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes robcantleyi | Cheek, 2011

Nepenthes robcantleyi werd in 2011 beschreven door Martin Cheek van de Royal Botanic Gardens, Kew, in Nordic Journal of Botany 29(6): 677-681; een voordruk van de beschrijving werd op 2 december 2011 verspreid, maar het tijdschriftnummer verscheen pas op 6 januari 2012 (al gedateerd als "2011"). De oorspronkelijke populatie werd in januari 1997 ontdekt op een afgelegen berg op Mindanao, Filipijnen, op ongeveer 1800 m hoogte in submontaan groenblijvend bos; de precieze locatie is om reden van natuurbescherming nooit openbaar gemaakt. Een afgelegen berg op Mindanao, Filipijnen, op ongeveer 1800 m hoogte; de precieze locatie is bewust niet vrijgegeven. De naam eert Robert Cantley, die de soort ontdekte en kweekte. De specifieke naamsvorm "robcantleyi" werd bewust gekozen om verwarring te vermijden met een eerdere, nooit formeel gepubliceerde naam (N. × cantleyi) die al aan een natuurlijke hybride tussen andere soorten was toegekend.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.