Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula caerulea

Pinguicula caerulea

In de natte dennenvlakten van het zuidoosten van de Verenigde Staten is dit de soort met een violette bloem, met een netwerk van donkere aderen dat de bloem bijna geaderd marmerachtig maakt. Het is bovendien het gemakkelijkst te vinden vetblad van het gebied, omdat Pinguicula caerulea in de winter bloeit, wanneer de savanne kaal is en er verder weinig kleur te zien valt.

Pinguicula caerulea
Foto: Bob Peterson from North Palm Beach, Florida, Planet Earth! — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula caerulea — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Bob Peterson — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula caerulea — de bloem
De bloem · Foto: Bob Peterson — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula caerulea — de standplaats
De standplaats · Foto: Alex Abair — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een vlezige, geelgroene rozet, meestal vijf tot tien en soms tot vijftien centimeter breed, met bladeren waarvan de randen sterk naar binnen zijn gekruld — een kenmerk dat in beschrijvingen uitdrukkelijk wordt genoemd. Het bovenvlak is kleverig en glanst van de klierdruppels. Uit het hart komen dunne bloemstelen met elk één bloem. Die bloem is violet, tweelippig en gespoord, en het uitgespreide deel van de kroon is duidelijk donkerder langs de aderen, zodat de bloem gestreept lijkt. Af en toe komen witbloemige planten voor. De bloemstelen zijn dun en, net als het blad, met klierharen bezet, wat je met een loep goed ziet. Na de bloei blijft een klein doosje achter dat in het voorjaar openspringt en stofzaad loslaat.

Gelijkende soorten

In bloei is verwarring nauwelijks mogelijk: dit is in Florida het enige vetblad met een grote, paarse, opvallend geaderde bloem. Zonder bloem lijkt de rozet sterk op die van Pinguicula lutea, waarmee hij vaak samen staat; de sterk ingerolde bladranden helpen dan. P. planifolia heeft vlakke, vaak roodachtige bladeren zonder opgekrulde rand en staat in nattere, modderiger terrein. P. pumila is veel kleiner en heeft een bloem van ongeveer een centimeter. P. ionantha heeft een bleker, paars tot wit bloem met uitpuilend gehemelte.

De val en hoe hij werkt

De val is de klassieke vetbladval: gesteelde klieren die een kleefdruppel dragen en zittende klieren die verteringsenzymen afgeven zodra er een prooi op ligt. De sterk naar binnen gekrulde bladrand van deze soort vormt daarbij als het ware een permanente goot, waarin het verteringsvocht blijft staan — handig op een standplaats die in de droge maanden opdroogt. Het menu bestaat uit kleine vliegjes, muggen en ander gevleugeld goed dat vlak boven de vegetatie van de natte savanne beweegt.

Standplaats en ecologie

Natte dennenvlakten en natte prairies, vooral in de buitenste kustvlakte, met hier en daar kwelplekken en de overgang van zandheuvels naar pocosin. De gemene deler is open, zonnig, nat en arm terrein dat door regelmatig vuur open blijft. Waar het branden uitblijft, sluit het struweel zich binnen enkele jaren en verdwijnt de soort. Dat maakt deze plant tot een goede indicator van goed beheerde savanne: waar hij in aantallen bloeit, is het vuurregime op orde. De natte dennenvlakte is een van de soortenrijkste vegetaties van het continent, met op een enkele vierkante meter tientallen plantensoorten. Dat gezelschap staat of valt met licht, en licht staat of valt met vuur; dit vetblad is daarmee een van de eerste soorten die verdwijnen als het beheer stokt.

Verspreiding en hoogte

Van het zuidoosten van North Carolina — Carteret en Johnston County — zuidwaarts tot in het zuidelijke schiereiland van Florida en westwaarts tot in de oostelijke panhandle van Florida, met Georgia en South Carolina daartussen. Het is daarmee een soort van de Atlantische kustvlakte die de Golfkust maar net bereikt, en dus een beperkter areaal heeft dan het geelbloemige vetblad waarmee hij vaak samen staat. In de Carolina's is hij in de kustvlakte niet algemeen.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 116 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

In het wild worden geen ondersoorten of variëteiten onderscheiden. Wat varieert is de intensiteit van de bloemkleur en de nadruk van de adertekening: sommige planten zijn bijna wit met alleen blauwe aderen, andere diep violet. Witbloemige planten zijn onder meer uit North Carolina beschreven. Zulke kleurvarianten komen verspreid binnen normale populaties voor en zijn geen geografische rassen. Kweekselecties blijven hier buiten beschouwing.

Waar en wanneer te zien

De winter is het seizoen: van december tot in het vroege voorjaar staan de bloemen boven een verder kleurloze savanne, en op een pas gebrand stuk zijn ze van ver te zien. Zoek in natte dennenvlakten en op de randen van natte prairies, bij voorkeur op terrein dat het jaar ervoor is gebrand. Ga door de knieën om de rozet te bekijken; de ingerolde bladranden en de glanzende bovenzijde zijn dan meteen zichtbaar. Blijf op stevige grond en vermijd het vertrappen van de zode.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. In Florida geldt hij als beschermde, bedreigde plant op staatsniveau; als bedreigingen worden bosbouwkundige ingrepen en het uitblijven van vuur genoemd, met als aanbevolen beheer branden elke twee tot vier jaar en het voorkomen van bodemverstoring. Dat patroon geldt voor de hele natte kustvlakte: het areaal ziet er op de kaart ruim uit, maar het aantal goed beheerde savannes waarin de soort werkelijk kan standhouden, neemt af. De ontbrekende mondiale categorie is dus een leemte in het dossier. Een praktisch gevolg voor de veldganger: waar deze soort ontbreekt in ogenschijnlijk geschikte savanne, is dat meestal een teken dat er al jaren niet meer is gebrand.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula caerulea | Walter, 1788

Beschreven door Thomas Walter in 1788. De soort komt voor in vochtige, zandige dennenbossen in het zuidoosten van de Verenigde Staten. De soortnaam caerulea is Latijn voor "hemelsblauw, zeeblauw" en verwijst naar de blauwe bloemkleur van deze soort.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.