Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula planifolia
Pinguicula planifolia
Chapmans vetblad is de natste van het gezelschap. Waar de andere vetbladen van het zuidoosten van de Verenigde Staten in vochtige savanne staan, ligt Pinguicula planifolia op modderige vlakten die een groot deel van het jaar onder water staan — soms met de hele rozet onder de waterspiegel. De roodachtige, volkomen platte bladeren zijn daarbij het beste herkenningspunt, ook zonder bloem.

Herkenning
Een rozet van smalle tot langwerpige bladeren die volkomen vlak op de modder liggen, zonder de opgekrulde rand die de meeste verwanten hebben; bij veel planten zijn ze duidelijk rood tot bronskleurig, vooral op zonnige, open plekken. De bloemsteel is dun en kan tot ongeveer vijfentwintig centimeter hoog worden. De bloem is lichtpaars tot roze of vrijwel wit, met gekerfde kroonslippen en een donkerder paarse, buisvormige keel. Het geheel staat opvallend hoog boven de vlakke rozet, wat de plant in het veld verraadt. De bloemsteel is, zoals bij alle vetbladen, zelf ook met klierharen bezet. Na de bloei blijft een klein doosje met stofzaad achter, dat pas openspringt als het terrein is opgedroogd.
Gelijkende soorten
De platte, vaak roodachtige bladeren scheiden deze soort van alle andere vetbladen in het gebied: Pinguicula caerulea en P. lutea hebben duidelijk opgekrulde bladranden en staan droger; P. primuliflora heeft een lichte ring boven de keel en zit aan beschaduwde beekoevers; P. ionantha heeft een bleker bloem met een opvallend uitpuilend gehemelte. Waar twee soorten samen staan, is de standplaats vaak al beslissend — deze soort staat steevast in het natste deel.
De val en hoe hij werkt
De vangst verloopt als bij alle vetbladen via twee soorten klieren: gesteelde klieren met een kleefdruppel en zittende klieren die verteringsenzymen afgeven. Omdat het blad hier vlak blijft en de rand nauwelijks omkrult, is de vangstrategie net iets anders: het blad vormt een breed, plat kleefvlak in plaats van een ondiepe kom. Dat past bij een standplaats waar het blad vaak onder water staat; wat er gevangen wordt is dan ook deels wat er op en in het water beweegt, naast de gebruikelijke kleine muggen en vliegen erboven.
Standplaats en ecologie
Zeer natte, modderige en soms overstroomde terreinen: depressies in natte dennenvlakten en natte prairies, cipressenkommen, moerasranden en bermsloten, op zure, voedselarme bodem en in volle zon. Waarnemers beschrijven planten die tijdens het natte seizoen geheel ondergedoken staan en pas in het droge seizoen boven water komen. Net als bij de andere vetbladen van deze kustvlakte is open, door vuur onderhouden terrein een voorwaarde; opslag van struiken betekent het einde van een groeiplaats. Dat leven onder water is voor een vleesetende plant niet vanzelfsprekend: het klierdek werkt boven water het best, en de plant moet zijn groei en bloei dus concentreren in de periode waarin het peil zakt. Dat verklaart waarom de bloei zo scherp in de late winter en het vroege voorjaar valt.
Verspreiding en hoogte
Beperkt tot de zuidoostelijke kustvlakte van de Verenigde Staten: de Florida-panhandle en aangrenzend zuidelijk Alabama en Mississippi, met de Floridese vindplaatsen van Escambia County in het westen tot Wakulla County in het oosten. Het is dus een soort van een smalle strook laagland rond de noordelijke Golfkust. Het areaal is klein, maar binnen dat areaal kan de soort op geschikte plekken plaatselijk in aantal voorkomen.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
In het wild worden geen ondersoorten of variëteiten onderscheiden. De opvallendste variatie is de bladkleur, die van frisgroen in de schaduw tot dieprood in volle zon loopt en dus eerder een reactie op het licht is dan een vaste eigenschap. Daarnaast variëren bloemkleur en de mate waarin de kroonslippen zijn ingesneden; waarnemers melden bovendien planten zonder rode kleurstoffen, met bleke bloemen en groen blad. Kweekvormen blijven hier buiten beschouwing. Waar de rozetten lang onder water staan, blijven de bladeren bovendien dunner en langer dan bij planten die alleen natte modder onder zich hebben; ook dat is standplaatsafhankelijk en geen kenmerk om op te determineren.
Waar en wanneer te zien
Ga tussen januari en april en zoek in het natste deel van het terrein: modderige laagten, de randen van cipressenkommen en ondergelopen prairies. Laarzen zijn geen luxe. De bloemen steken hoog boven de vlakke rozetten uit en zijn van een afstand te zien; de rozetten zelf vind je pas als je dichtbij bent en gericht naar rode, vlakke bladeren zoekt. Kijk ook in bermsloten langs wegen door natte dennenvlakten — dat zijn vaak de meest toegankelijke groeiplaatsen. Een waterdichte zaklamp is in ondiep, troebel water verrassend nuttig: de rozetten liggen vaak net onder de oppervlakte en zijn bij schuin licht van boven af goed te onderscheiden.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. In Florida is hij op staatsniveau als bedreigd beschermd. De genoemde bedreigingen zijn droogte, ontwatering, habitatverlies en illegaal verzamelen — een combinatie die precies aangrijpt op wat deze soort nodig heeft: langdurig ondiep water op arme, open bodem. Omdat het areaal klein is en de habitat in de hele noordelijke Golfkustvlakte onder druk staat, is het ontbreken van een mondiale beoordeling hier eerder een tekort aan aandacht dan een teken dat het goed gaat. Wie de soort in het veld tegenkomt, helpt het meest door de vindplaats te melden en niets te verzamelen.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula planifolia | Chapman, 1897
Beschreven door Alvan Wentworth Chapman in 1897, in Flora of the Southern United States, 3e editie: 303. De soort komt voor in het zuidoosten van de Verenigde Staten: het zuiden van Mississippi en Alabama, de panhandle van Florida en het uiterste zuidoosten van Louisiana. De naam "planifolia" is Latijn voor "platbladig" (planus, plat + folium, blad) en verwijst naar de dunne, platte bladeren van deze soort.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.