Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula grandiflora
Pinguicula grandiflora | Groot vetblad
Large-flowered butterwort
Hetzelfde vettige blad als bij het vetblad, maar een bloem die er niet naast valt: groot, violetpurper, met een wijde onderlip die opengaat als een viooltje. Het is de vetbladsoort van de gebergten van Zuidwest-Europa, met één opvallende uitzondering — hij staat ook in het zuidwesten van Ierland, honderden kilometers van de Pyreneeën, tussen dezelfde Iberische planten die daar sinds de ijstijd zijn blijven hangen.




Variëteiten

Herkenning
Een rozet van gele, vettig glanzende bladeren met omkrullende randen; de hele plant is 8 tot 15 cm hoog. De bloemstelen zijn kaal en dragen elk één bloem. De bloem is violetpurper met een witte keel; de kroon is 15 tot 20 mm lang en ongeveer even breed als lang, en de slippen van de onderlip zijn breed, ondiep ingesneden en overlappen elkaar, zodat de bloem één vlak lijkt. De spoor is recht en stevig en haalt minstens tweederde van de kroonlengte. Net als het vetblad overwintert hij als een knop met broedknopjes aan de voet.
Gelijkende soorten
Het vetblad (P. vulgaris) is de enige echte verwarringssoort, en staat vaak in hetzelfde moeras. Bij het vetblad is de kroon 10 tot 15 mm en langer dan breed, met smalle, van elkaar losstaande slippen en een dunne spoor van hooguit de halve kroonlengte; hier is de bloem 15 tot 20 mm, rond van omtrek, met overlappende slippen en een dikke spoor van tweederde of meer. Ook de rozet is doorgaans forser en de bladeren breder. In Ierland groeien beide door elkaar en komt de hybride P. ×scullyi voor, die er precies tussenin zit. Alpenvetblad (P. alpina) is wit met een gele vlek en heeft een kort stomp spoortje. De verspreiding helpt: groot vetblad is een soort van Zuidwest-Europa en Ierland, het vetblad staat in heel Noord- en Midden-Europa.
De val en hoe hij werkt
Dezelfde actieve lijmval als bij het vetblad: gesteelde klieren met kleefstof houden de prooi vast, zittende klieren scheiden het verteringssap af, en de bladrand krult zich in de loop van uren om de prooi heen tot er een ondiep schaaltje ontstaat. Het blad is groter dan dat van het vetblad en vangt navenant meer; op een goede standplaats ligt een rozet in juni vol muggen en springstaarten. In de winter houdt de plant er helemaal mee op: de rozet trekt zich terug in een knop en er wordt niets gevangen tot het blad in het voorjaar weer uitloopt.
Standplaats en ecologie
Natte, kalkrijke en voedselarme grond in het gebergte: kwelhellingen, kleine zeggenmoerassen, bronnen, druipende rotswanden en de oevers van bergbeken, vaak op kalksteen of mergel. In Ierland staat hij veel lager, in natte heide en op veenachtige, door kwel gevoede hellingen dicht bij de kust. Overal geldt hetzelfde: koel, doorstromend water, open vegetatie en geen concurrentie van hoog gras.
Verspreiding en hoogte
Zuidwest-Europa: de Pyreneeën en het Cantabrisch gebergte in Spanje, de Franse gebergten van de Alpen tot het Centraal Massief en de Jura, de Zwitserse Alpen, en daarnaast van nature het zuidwesten van Ierland. In Groot-Brittannië, Duitsland en Tsjechië-Slowakije is hij ingeburgerd: uitgezet door liefhebbers en op enkele plaatsen blijven staan. De gevolgde bron geeft geen hoogtecijfers; in de Pyreneeën en de Alpen loopt hij van de dalen tot boven de boomgrens, terwijl hij in Ierland bijna op zeeniveau staat.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
De variatie zit vooral in de bloemkleur: naast het gewone violetpurper komen bleke en zuiver witte planten voor, en in het zuidoosten van Frankrijk een rozebloemige vorm die als aparte ondersoort is beschreven. Verder is de soort tamelijk eenvormig. Waar hij samen met het vetblad staat ontstaat de natuurlijke hybride P. ×scullyi, in Ierland het bekendst, met bloemen die in maat tussen beide ouders in liggen.
Waar en wanneer te zien
Mei tot augustus, in de bergen later naarmate de sneeuw hoger wegtrekt: eerst bloeien de dalen, dan de kwelhellingen tot boven de boomgrens. Ierland is het makkelijkst: in het zuidwesten staat hij langs natte wegtaluds en op heidehellingen op ooghoogte van de weg. In de Pyreneeën zoek je hem bij bronnen en langs beekjes in kalkgebied. Kijk bij twijfel naar de spoor en naar de onderlip; dat zijn de twee kenmerken die hem van het vetblad scheiden, en beide zijn met het blote oog te zien.
Staat van instandhouding
Niet geëvalueerd op de wereldwijde Rode Lijst — die beoordeling ontbreekt. Nationaal loopt het beeld uiteen: in Zwitserland geldt hij als bedreigd, terwijl hij in Ierland en in de Franse gebergten plaatselijk nog gewoon is, maar wel gebonden aan een standplaats die snel verdwijnt. De bedreigingen zijn overal dezelfde: ontwatering van kwelhellingen, het afvangen van bronnen voor drinkwater en veedrenking, betreding, en het uitgraven van planten. Dat hij buiten zijn gebied hier en daar is uitgezet, maakt de kaart onduidelijk maar helpt de soort niet vooruit.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula grandiflora | Lamarck, 1789
Beschreven door Jean-Baptiste de Lamarck in 1789. De soort komt voor in West-Europa, van Ierland en Noord-Spanje tot de Alpen. De soortnaam grandiflora is samengesteld uit het Latijnse grandis ("groot") en flos ("bloem") en verwijst naar de opvallend grote bloemen van deze soort.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.