Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula moranensis
Pinguicula moranensis
Mexican butterwort
Het bekendste vetblad van Mexico, en het merkwaardigste: het is niet één plant maar twee die elkaar aflossen. Van de zomer tot in de herfst staat er een brede, kleverige rozet die alles vangt wat erop landt; in de droge tijd verdwijnt die en komt er een dichte, vetplantachtige knop van kleine gladde blaadjes voor in de plaats, die niets vangt en alleen op regen wacht.




Herkenning
De zomerrozet telt vier tot veertien bladeren, met een steel van 1 tot 2,5 cm en een schijf van 3 tot 10 cm lang en 2,3 tot 7,3 cm breed: breed omgekeerd eirond, geelgroen, aan de bovenkant kleverig en met omgerolde randen. De winterrozet is iets volstrekt anders: dertig tot honderd of meer kleine, dikke, glanzende blaadjes van 0,5 tot 4 cm lang en hooguit een centimeter breed, dakpansgewijs over elkaar, zonder klieren en zonder druppel. Uit de rozet komen één tot zeven, soms meer bloemstelen van 10 tot 24, zelden 30 cm. De bloem is roze tot purper met een witte keel en 2,7 tot 5 cm lang, de lange dunne spoor meegerekend; die spoor alleen al meet 1,6 tot 3, soms bijna 4 cm. De kroon is tweelippig en wijd uitgespreid.
Gelijkende soorten
Mexico heeft tientallen vetbladen en veel daarvan zijn uit deze soort losgemaakt; P. moranensis is de wijdst verbreide en de meest veranderlijke van allemaal, en juist daardoor het moeilijkst scherp te begrenzen. Let op de combinatie van drie dingen: brede zomerbladeren met een duidelijke steel, een lange dunne spoor die meer dan de halve bloemlengte haalt, en een winterrozet van talrijke dikke blaadjes. Soorten met een korte spoor, met zittende bladeren of zonder winterrozet vallen daarmee af. Buiten het geslacht is verwarring uitgesloten: geen andere plant in dit bergbos legt een kleverige rozet op de rotsen.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval met een dubbele bijzonderheid. Landt er iets op het zomerblad, dan houden de gesteelde klieren het vast, geven de zittende klieren sap af en krult de bladrand er langzaam omheen — het gewone vetbladwerk. Wat deze soort daarbovenop doet, is één keer per jaar de val helemaal opgeven: als de droge tijd begint, sterft de kleverige rozet weg en maakt de plant een winterrozet van dikke, gladde blaadjes zonder klieren. Die vangt niets en verdampt bijna niets, en houdt de wortelknop in leven tot de regens terugkomen. De plant is dus maar het halve jaar een vleeseter, en dat is precies waarom de zomerrozet zo veel moet vangen.
Standplaats en ecologie
Vochtige, beschaduwde plekken in den- en eikenbos in het bergland: bemoste rotsen, kalksteenwanden, steile beekoevers en, heel gewoon, de kale grond van wegtaluds, waar de plant op de blote aarde zit die de graafmachine heeft achtergelaten. Het klimaat is dat van het Mexicaanse hoogland, met een natte zomer en een strakke droge winter, en daar richt hij zijn twee bladvormen naar.
Verspreiding en hoogte
Van Mexico tot in Midden-Amerika: over vrijwel het hele Mexicaanse bergland, van het noordwesten en noordoosten tot in het zuiden en op de Golfhelling, en verder in Guatemala, Honduras en El Salvador. Het is een plant van het middelgebergte; de gevolgde bron geeft voor zijn gebied 800 tot 2900 m.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Het is een soort die uit elkaar valt zodra je er goed naar kijkt. De bloemkleur loopt van bijna wit via roze tot diep purper, en de vorm van de onderlip verschilt van dal tot dal; binnen de soort worden twee variëteiten onderscheiden. Een deel van wat vroeger P. moranensis heette is inmiddels als aparte soort beschreven, en dat proces is nog niet afgelopen. De namen tussen aanhalingstekens die in verzamelingen rondgaan slaan op geselecteerde kweekplanten en horen hier niet thuis.
Waar en wanneer te zien
Juli tot september, midden in het regenseizoen: dan bloeit hij het uitbundigst, al is er het hele jaar door wel ergens een bloem. Zoek langs bergwegen in den- en eikenbos, op de eerste meters van een talud en op natte rotswanden — dit is bij uitstek een soort die je vanaf de weg vindt. Wie in de droge tijd komt moet naar de winterrozet zoeken: een klein, dicht knopje van dikke blaadjes op de kale grond, gemakkelijk voor een vetplantje aan te zien. Laat de rozet met rust; hij zit los in de grond en laat bij de minste trek los.
Staat van instandhouding
Niet geëvalueerd op de wereldwijde Rode Lijst. Wat er bekend is wijst niet op een soort in nood: hij is wijd verbreid, staat in veel bergstreken en gedijt zelfs op door mensen gemaakte taluds. Plaatselijk verdwijnt hij wel, door het kappen van bergbos, door wegverbreding en door het uitgraven van planten voor de handel; omdat hij gemakkelijk uit zaad en uit blad te vermeerderen is, weegt die laatste druk minder zwaar dan bij de zeldzame Mexicaanse vetbladen met een klein gebied. Een beoordeling ontbreekt dus, maar de soort zelf is de minst zorgelijke van dit geslacht in Mexico.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula moranensis | Kunth, 1817
Beschreven door Carl Sigismund Kunth in 1817, in Nova Genera et Species Plantarum, op basis van materiaal dat Alexander von Humboldt en Aimé Bonpland tijdens hun Latijns-Amerikaanse expeditie (1799–1804) verzamelden. Het typemateriaal werd verzameld nabij de mijn Mina de Morán, in de Sierra de Pachuca, in de huidige Mexicaanse staat Hidalgo. De naam verwijst naar de vindplaats: de mijn Mina de Morán.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.