Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula lippoldii

Pinguicula lippoldii

Pinguicula lippoldii is een vetblad van de galerijbossen langs bergbeken in de Sierra del Cristal, het massief dat de provincies Holguín en Santiago de Cuba scheidt. De soort werd samen met een tweede nieuwe Oost-Cubaanse soort beschreven en is genoemd naar Harald Lippold, een van de Duitse botanici die in de jaren zeventig en tachtig met Cubaanse collega's dit bergland doorkruisten en het materiaal verzamelden waarop een groot deel van de huidige kennis rust.

Pinguicula lippoldii
Foto: J. L. Gómez-Hechavarría — CC BY 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een vlakke rozet van gaafrandige, vlezige bladeren die tegen vochtige oeverbodem of een beschaduwde wand ligt; het bovenvlak draagt een dicht klierdek dat in schuin licht als een vlies dauw oplicht. Uit het hart komen dunne, klierachtig behaarde bloemstelen met elk één tweelippige bloem met spoor. In het donkere galerijbos, waar mos en varens dicht op elkaar staan, is de rozet klein en gemakkelijk over het hoofd te zien; het vettige, natte bladoppervlak is het beste onderscheidende kenmerk. De bloemstelen steken bij deze soort maar een paar centimeter boven de rozet uit, wat in een dicht begroeid ravijn betekent dat de bloem nauwelijks boven het mos uitkomt. Ook de steel draagt klierharen, zichtbaar met een loep.

Gelijkende soorten

In Oost-Cuba staat deze soort in een gezelschap van nauw verwante vetbladen dat zonder bloem niet betrouwbaar is te splitsen. Pinguicula orthoceras komt uit hetzelfde massief maar is verzameld op aanzienlijk grotere hoogte, rond negenhonderd tot duizend meter op de noordhelling. P. jaraguana en P. moaensis horen bij de serpentijnbeken van het Moa-massief verderop naar het oosten. Wie in het Cristal-gebergte op vijf- tot zeshonderd meter langs een beek een vetblad vindt, heeft de grootste kans op deze soort — maar leg de bloem altijd vast.

De val en hoe hij werkt

De val werkt zoals bij alle vetbladen: gesteelde klieren met een kleefdruppel, zittende klieren die pas enzymen afgeven als er een prooi op ligt, en een bladrand die langzaam naar die prooi toe rolt zodat het verteringsvocht in een ondiep kuiltje blijft staan. In een galerijbos langs een beek hangt de lucht vol kleine tweevleugeligen, en het permanent hoge vochtgehalte houdt de kleefdruppels de hele dag werkzaam — anders dan op open, zonnige standplaatsen, waar de val in de middag kan indrogen.

Standplaats en ecologie

Galerijbos langs bergbeken: smalle, permanent vochtige stroken in beekdalen en ravijnen, met het bladerdek boven het water gesloten en de bodem het hele jaar nat. Etiketten spreken van kiezelhoudende, zure bodem, wat deze soort onderscheidt van de Cubaanse vetbladen op kalk en op serpentijn. De vondsten liggen tussen ruwweg vijfhonderd en zeshonderd meter, op de zuid- en noordflanken van de Sierra del Cristal, onder meer bij Mayarí Arriba, Segundo Frente en de bovenloop van de río Levisa.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Cuba en beperkt tot de Sierra del Cristal in het oosten van het eiland, op de grens van de provincies Holguín en Santiago de Cuba. Bekende vindplaatsen liggen rond Segundo Frente, Mayarí Arriba, de omgeving van Pico Cristal, arroyo La China, La Zanja en de bovenloop van de Levisa. Het areaal bestaat daarmee uit een netwerk van beekdalen binnen één bergmassief, een verspreidingspatroon dat bij vrijwel alle Oost-Cubaanse vetbladen terugkomt. De Sierra del Cristal is klein genoeg om op een kaart in één oogopslag te overzien en groot genoeg om nog verrassingen te herbergen; verschillende van de hier verzamelde vetbladen zijn pas in de laatste decennia benoemd, en niet elk beekdal is bezocht.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen ondersoorten of variëteiten in het wild onderscheiden. Variatie in grootte hangt vooral samen met beschaduwing en waterstand: in het diepste, meest beschaduwde deel van een ravijn worden de rozetten groter en dunner van blad dan op meer open oeverplekken. Omdat de soort pas recent is beschreven en de Sierra del Cristal botanisch nog lang niet volledig is doorzocht, is het goed mogelijk dat het bekende beeld van de variatie met nieuw veldwerk verandert.

Waar en wanneer te zien

Volg de beek, niet het pad. De planten zitten op de permanent natte oeverstrook, op aardwanden vlak boven het water en op stenen die door spatwater nooit opdrogen — plekken die je alleen vindt door langs de waterlijn te lopen. Werk in de ochtend, wanneer het licht laag invalt en het klierdek glanst. De Sierra del Cristal omvat een van de oudste nationale parken van Cuba; toegang en begeleiding regel je vooraf, en het meenemen van planten is er zowel verboden als zinloos.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is: een Oost-Cubaanse endeem van één bergmassief, gebonden aan beschaduwde beekoevers in galerijbos. Zulke populaties zijn gevoelig voor alles wat de beek verandert — kap van het oeverbos, veranderende afvoer, sedimentaanvoer bij ontginning — en voor droogte in uitzonderlijke jaren. Dat een mondiale beoordeling ontbreekt, zegt hier vooral iets over de hoeveelheid beschikbare gegevens en niets over de kwetsbaarheid van de soort zelf. Wat in dit geval extra weegt, is dat het bekende areaal binnen één massief ligt: een tegenslag die het hele gebied treft, treft daarmee ook de hele soort.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula lippoldii | Casper, 2007

Beschreven door Siegfried Jost Casper in 2007, in Wulfenia 14: 75–96, op basis van materiaal dat op 26 februari 1976 door J. Bisse en collega's werd verzameld. De typelocatie ligt bij Mayarí Arriba, in de Sierra del Cristal, tussen Los Moreiros en La Zanja, op 500–600 meter hoogte, in de (voormalige) provincie Oriente (tegenwoordig Holguín), Cuba. Wie precies met deze soortnaam wordt geeerd, kon niet met zekerheid worden achterhaald; vermoedelijk gaat het om de botanicus H. Lippold, die in dezelfde periode Cubaanse Pinguicula-vindplaatsen documenteerde.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.