Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula lithophytica

Pinguicula lithophytica

De naam zegt het: een plant die op steen leeft. Pinguicula lithophytica groeit op beschaduwde, natte kalkrotswanden in de Trinidad-bergen van Midden-Cuba, en werd pas in deze eeuw beschreven — op basis van materiaal dat al in de jaren vijftig was verzameld en toen eenvoudig als 'plaatselijk algemeen op beschaduwde natte kalkkliffen' werd genoteerd. Het is een van de twee vetbladen van het Guamuhaya-massief, en de enige met een witte bloem met gele keel.

Van deze soort staat nog geen foto met een Creative Commons-licentie of uit het publiek domein in de gids.

Herkenning

Een vlakke rozet van gaafrandige, vlezige bladeren die tegen de natte kalkwand aan ligt, bovenop dicht bezet met steelklieren. Uit het hart komen dunne bloemstelen met elk één tweelippige bloem. De bloem is wit met een gele keel — dat staat zo, in het Engels, op een etiket uit 1953 — en dat is in het veld het beslissende kenmerk. Zonder bloem herken je de plant aan het glanzende, nat lijkende bladoppervlak tussen mossen en levermossen; het blad voelt vettig, wat de wetenschappelijke geslachtsnaam verklaart. Bij een rotsbewoner is ook de stand van de rozet een kenmerk: doordat de plant tegen een verticale wand groeit, staat het bladvlak loodrecht in plaats van horizontaal, en glijdt het regenwater er vanzelf overheen zonder te blijven staan.

Gelijkende soorten

De enige serieuze verwarring in dit gebied is met Pinguicula jackii, die dezelfde druipende kalkwanden in het Guamuhaya-gebergte bewoont en daar plaatselijk op vergelijkbare hoogte staat. Dat is precies waarom de bloemkleur zo bruikbaar is: noteer of de bloem wit met gele keel is, en fotografeer hem van opzij. Andere Cubaanse vetbladen spelen hier geen rol: de westelijke soorten staan in laaglandsavanne op wit zand en de oostelijke op serpentijn, honderden kilometers verderop.

De val en hoe hij werkt

Het blad is een lijmval met twee soorten klieren: gesteelde klieren met een heldere kleefdruppel en zittende klieren die verteringsenzymen afgeven zodra er een prooi op ligt. Op een verticale of overhangende kalkwand is vasthouden het probleem, niet vangen: de bladrand die zich naar de prooi toe rolt, houdt het verteringsvocht op zijn plaats in plaats van het langs de rots te laten weglopen. De prooi bestaat vooral uit kleine tweevleugeligen die in de vochtige luwte voor de rotswand blijven hangen.

Standplaats en ecologie

Beschaduwde, permanent natte kalksteenwanden, onder een dek van laag, dicht bos: zo staat het op de oude etiketten, en dat is nog steeds de kortste beschrijving. De standplaats is kalkrijk in plaats van zuur, en daarmee het spiegelbeeld van de serpentijn- en kiezelstandplaatsen van de oostelijke Cubaanse vetbladen. Belangrijk is niet de kalk zelf maar de combinatie: constant sijpelend water dat voedingsstoffen wegspoelt, weinig licht, geen concurrentie van hogere planten op de kale wand.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Cuba en bekend uit het Guamuhaya-gebergte in het midden van het eiland — de Trinidad-bergen — met vindplaatsen als El Sopapo, Los Tornos en de kalkheuvels bij El Naranjo, in en rond de provincie Cienfuegos. De geëtiketteerde vondsten liggen op ongeveer negenhonderd meter. Dat is een klein, samenhangend areaal in één kalkmassief, en het maakt de soort tot een van de weinige Cubaanse vetbladen die niet in het westelijke laagland of in het oostelijke serpentijnbergland thuishoren. Het Guamuhaya-massief is een kalkeiland te midden van vlakker land, met een eigen klimaat en een eigen set endemen; voor planten van natte rotswanden vormt het feitelijk een archipel van wanden waartussen uitwisseling nauwelijks mogelijk is.

  • Inheems
Verspreiding per regio van het TDWG-schema (World Geographical Scheme for Recording Plant Distributions), uit de World Checklist of Vascular Plants — de gegevensbasis achter Plants of the World Online. De kaart toont alleen het natuurlijke areaal; waar de soort is ingeburgerd staat in de tekst. Binnen een regio zegt de kaart niets over waar de plant precies staat; bij bedreigde soorten is dat ook de bedoeling. Contouren: tdwg/wgsrpd. Voor deze soort zijn nog geen GBIF-waarnemingen opgehaald; zodra dat gebeurt vervangt die precisere laag deze regio-kaart.

Vormen en variatie

Er worden geen ondersoorten of variëteiten in het wild onderscheiden. Wat varieert is grootte en bladdikte naar gelang de beschaduwing en de hoeveelheid water die over de wand loopt; op de natste, donkerste plekken zijn de rozetten het grootst. Doordat de soort pas recent formeel is beschreven en de beschrijving mede op oud materiaal berust, is het beeld van de variatie binnen de soort nog gebaseerd op een beperkt aantal populaties.

Waar en wanneer te zien

Zoek op noord- en oostgerichte kalkwanden waar het water in een dunne film over de rots glijdt, bij voorkeur onder gesloten bos zodat de wand ook midden op de dag nat blijft. Kijk op ooghoogte en hoger, niet naar de grond: de planten zitten op de wand zelf, tussen mos en levermos. Een verrekijker en strijklicht helpen. Blijf op afstand van de wand — de mosmat waarin de rozetten wortelen is dun en herstelt zich traag van betreding.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is: een Midden-Cubaanse endeem van één kalkmassief, gebonden aan een microhabitat — beschaduwde, permanent natte rotswand — die van nature versnipperd is en niet uitbreidbaar. De oude etiketten noemen de soort plaatselijk algemeen, maar dat zegt iets over de dichtheid op een geschikte wand en niets over het aantal wanden. Kapping van het omringende bos, waterwinning en toenemende droogte zijn de voor de hand liggende risico's; een formele beoordeling ontbreekt nog. Voor wie het gebied bezoekt geldt daarom een eenvoudige regel: kijk, fotografeer en noteer, maar raak de wand niet aan.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula lithophytica | Panfet & Temple, 2008

Beschreven door Cristina M. Panfet-Valdés en Paul Temple in 2008, in Carnivorous Plant Newsletter 37(3): 90–93. De soort is endemisch voor het centrale deel van Cuba. De naam komt van het Grieks lithos (steen, rots) en phyton (plant), en verwijst naar de rotsbewonende groeiwijze van deze soort.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.