Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula mariae

Pinguicula mariae

Het tweede vetblad van de Apuaanse Alpen staat op dezelfde natte marmer- en kalkwanden als het eerste, maar is genetisch een heel andere plant. Pinguicula mariae werd in hetzelfde artikel uit 1981 beschreven als P. apuana, en pas moderne chromosoomtellingen maakten duidelijk hoezeer de twee verschillen.

Pinguicula mariae
Foto: Alfredo — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een vlakke rozet van gaafrandige, langwerpig eivormige bladeren die geelgroen zijn, vettig aanvoelen en aan de rand naar boven omkrullen. Uit het hart komen dunne, kale bloemstelen met elk één tweelippige bloem, met een tweelobbige bovenlip, een drielobbige onderlip met keeltekening en achteraan een spoor. Betrouwbare maten voor plant, kroon en spoor konden voor deze gids niet in een toetsbare bron worden gevonden en zijn hier dus niet opgegeven. Het chromosomenaantal is 32, de helft van dat van P. apuana; in de praktijk betekent dat een iets tengerder gebouwde plant.

Gelijkende soorten

De enige serieuze verwarring is met Pinguicula apuana uit hetzelfde gebergte, die forser is gebouwd en dubbel zoveel chromosomen heeft. Met het blote oog is het onderscheid subtiel en berust het op formaat en bloemverhoudingen; in de literatuur worden beide soorten dan ook altijd samen behandeld. Wie in de Apuaanse Alpen een vetblad vindt, heeft er dus een van deze twee, en de zekerheid komt uit maten en niet uit de eerste indruk. Verder naar het noorden, op de Apennijnenkam, staat P. christinae, die ruimtelijk is gescheiden.

De val en hoe hij werkt

Een lijmval die aan een druipende wand voortdurend in bedrijf is. Het blad draagt gesteelde klieren met een kleverige, glinsterende druppel en daartussen zittende klieren die pas verteringsenzymen afgeven als er iets op ligt. De vangst is klein en talrijk: muggen, dansmuggen, vliegjes en springstaarten uit de vochtige lucht langs het water. Als reactie op een prooi rolt de bladrand zich er langzaam overheen, zodat het verteringsvocht niet wegloopt. Op doorspoeld kalksteen en marmer is dat de enige stikstofbron die de plant heeft, want het gesteente levert niets en het water spoelt weg wat er toch terechtkomt.

Standplaats en ecologie

Natte kalk- en marmerrotsen in de Apuaanse Alpen: druipende wanden, sijpelplekken waar water uit een spleet komt, en vochtige, kortgrazige plekken op hoger gelegen hellingen. De plant wortelt in spleten en in mospolsters direct op het gesteente. Het gebergte is sterk verkarst, zodat vrijwel alle neerslag ondergronds verdwijnt en het oppervlaktewater beperkt is tot de plekken waar het weer naar buiten komt; daar, en alleen daar, staat de plant. Beschaduwing en verdroging zijn de twee bedreigingen die een standplaats onmiddellijk ongeschikt maken.

Verspreiding en hoogte

Alleen de Apuaanse Alpen in Toscane, Italië. Het gaat om een endemeet van één kort, steil gebergte, met een beperkt aantal standplaatsen die door droge kammen en dalen van elkaar zijn gescheiden. Hoewel de soort hier als niet bedreigd te boek staat, mag dat niet worden gelezen als een groot areaal: de hele wereldpopulatie zit binnen enkele tientallen kilometers. Dat twee vetbladsoorten zich in zo'n klein gebergte naast elkaar handhaven, hangt samen met de ouderdom van het massief en met de vele geïsoleerde natte wanden.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 2 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten in het wild onderscheiden. De interessante variatie zit op soortniveau: P. mariae en P. apuana hebben verschillende chromosomenaantallen en zijn volgens recent moleculair onderzoek niet elkaars naaste verwanten, ondanks hun gedeelde gebergte en uiterlijke gelijkenis. Dat maakt het paar tot een schoolvoorbeeld van hoe twee soorten in hetzelfde massief langs verschillende wegen kunnen ontstaan. Binnen de soort volgt de variatie in plantgrootte en bloemrijkdom gewoon de natheid van de standplaats.

Waar en wanneer te zien

Mei en juni. Zoek naar de donkere, natte banen op de lichte wanden en volg ze; de rozetten zitten vaak boven ooghoogte in een spleet of op een mospolster. Kniel bij sijpelplekken langs het pad en kijk tegen het licht in, want het klierdek van de rozetten licht dan op. Dit is werkend mijngebied met loszittend steen: blijf op de gemarkeerde routes, klim niet in de wanden en houd afstand van de groeves. Fotografeer bloem, blad en vrucht en noteer de plek — determinatie van dit soortenpaar vraagt meer dan één blik.

Staat van instandhouding

De soort geldt als niet bedreigd. Dat lijkt geruststellender dan het is: het volledige areaal beslaat één gebergte van beperkte omvang, en elke standplaats hangt aan de watervoerende lagen in de karst. De reële risico's in de Apuaanse Alpen zijn de marmerwinning, die bergflanken afgraaft en ondergrondse waterwegen kan doorsnijden, en drogere zomers die de sijpelplekken laten uitvallen. Daarnaast kan het dichtgroeien van kortgrazige hellingen na het verdwijnen van de beweiding standplaatsen ongeschikt maken. CITES is niet van toepassing.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula mariae | Casper & Stimper ex Casper, 2009

Beschreven door Siegfried Jost Casper in 2009, in Wulfenia 16: 1–31, in hetzelfde artikel waarin ook Pinguicula apuana (Casper & Ansaldi) werd beschreven. De soort komt voor in de Apuaanse Alpen, in Toscane, Italië. De soortnaam eert Maria Ansaldi (geboren 1959 in Massa), botanicus en directeur van de Botanische Tuin van de Apuaanse Alpen "P. Pellegrini", die met Casper samenwerkte aan dit onderzoek. Casper noemde de twee in hetzelfde artikel beschreven soorten "een eerbetoon aan het Apuaanse land [apuana] en aan Maria Ansaldi [mariae]".

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.