Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula nahuelbutensis

Pinguicula nahuelbutensis

Een vetblad dat maar op één bergrug voorkomt: de Cordillera de Nahuelbuta, het kustgebergte van Zuid-Chili dat als een eiland tussen de Stille Oceaan en de Andes ligt. Op elfhonderd tot twaalfhonderdvijftig meter, in doorweekte kwelplekken onder oude zuidbeuken, staat Pinguicula nahuelbutensis — een soort met een bloemsteel die zo kort is dat de bloem vrijwel op de rozet ligt.

Pinguicula nahuelbutensis
Foto: Eitel Carlos Thielemann Pinto — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een rozet van vijf tot acht bladeren van veertien tot tweeëntwintig millimeter, groen tot geelgroen met een donkere middennerf die goed opvalt. Het kenmerk waar men de soort aan herkent is de bloemsteel: met een halve tot één centimeter, bij uitzondering anderhalve, is die veel korter dan bij welke andere zuidelijke soort ook, en hij is dicht met klierharen bezet. De bloem staat daardoor vrijwel op de rozet. Ze is wit tot lichtviolet met bleke of donkerder violette aderen, tweelippig, met een spoor van één tot tweeënhalve millimeter die afgerond of spits kan zijn. Bloeitijd half december tot begin februari — vroeger in het seizoen dan de Andes-soorten, wat past bij de lagere ligging.

Gelijkende soorten

In het kustgebergte komt ook Pinguicula antarctica voor, en juist daar is het onderscheid lastig genoeg geweest om er een apart artikel aan te wijden. De doorslag geeft de bloemsteel: bij P. antarctica tweeënhalf tot twaalf centimeter en schaars behaard, bij P. nahuelbutensis hooguit anderhalve centimeter en dicht behaard. Verder heeft P. antarctica een zakvormige spoor, terwijl die hier afgerond tot spits is. De Andes-soorten P. chilensis en P. australandina staan verder oostelijk en hoger en komen in dit gebergte niet voor. Buiten de bloei blijft de vondstplaats het beste kenmerk.

De val en hoe hij werkt

Een lijmval in een schaduwrijk, permanent nat bosmilieu. De gesteelde klieren houden een druppel vast die door de vrijwel constante luchtvochtigheid niet indroogt, en de zittende klieren daaronder scheiden verteringsenzymen af zodra er een prooi op het blad ligt; de bladrand rolt zich daarna traag over de vangst. Onder een oud zuidbeukenbos is het insectenaanbod anders dan in de open alpiene weiden: minder dansmuggen, meer springstaarten, mijten en kleine vliegjes uit de strooisellaag. De zeer korte bloemsteel is in deze omgeving waarschijnlijk geen toeval — vlak boven de grond is er beschutting tegen de wind en tegen het water dat over de kwelplek loopt.

Standplaats en ecologie

Natte kwelplekken binnen bos van Nothofagus dombeyi en Nothofagus pumilio tussen elfhonderd en twaalfhonderdvijftig meter (B5), waar bronwater over een helling sijpelt en de grond aaneengesloten nat blijft (R1). Het gaat om open plekken in het bos, vaak langs een greppel of een steilrandje, waar de boomlaag geen gesloten dek vormt. De standplaats is zuur en voedselarm, met een dikke mos- en strooisellaag. Het klimaat is koel en uitgesproken regenrijk; de Cordillera de Nahuelbuta vangt de vochtige westenwind van de Stille Oceaan.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor de Cordillera de Nahuelbuta in de provincie Malleco, in de Chileense regio Araucanía. Het areaal is daarmee een van de kleinste van het hele geslacht: één kustgebergte, en binnen dat gebergte alleen de smalle hoogteband rond de twaalfhonderd meter waar de juiste kwelplekken liggen. Een deel van het gebied is beschermd als nationaal park, wat voor de soort waarschijnlijk het verschil maakt. Van een verspreidingskaart in de gebruikelijke zin kan men eigenlijk niet spreken: het gaat om een handvol groeiplaatsen dicht bij elkaar.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 2 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten in het wild onderscheiden. De variatie binnen de soort betreft vooral de bloemkleur, die van bijna zuiver wit tot lichtviolet loopt, en de scherpte van de sporenpunt. Natuurlijke hybriden zijn niet beschreven, hoewel P. antarctica in hetzelfde gebergte voorkomt en de twee soorten in de literatuur lange tijd door elkaar zijn gehaald; of ze ergens echt naast elkaar staan is een vraag die alleen met gericht veldwerk te beantwoorden is. Wie oudere opgaven uit Nahuelbuta leest, moet er rekening mee houden dat daar planten onder de naam P. antarctica bij kunnen zitten die hier thuishoren.

Waar en wanneer te zien

Zoek in het oude zuidbeukenbos van Nahuelbuta naar de plekken waar water uit de helling komt: een donkere, glimmende plek onder de bomen, met veel mos en zonder gesloten kruidlaag. De rozetten liggen plat op het mos en de bloem staat er nauwelijks boven, dus dit is werk op handen en knieën. December en januari zijn de beste maanden. Het bos is oud en de bodem kwetsbaar; blijf op de paden en betreed de kwelplekken niet, want juist daar staat alles bij elkaar.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES; een internationale categorie ontbreekt dus. Wat bekend is, verdient aandacht: een endemische soort van één kustgebergte, met een hoogteband van nauwelijks honderd meter en een paar bekende groeiplaatsen. De Cordillera de Nahuelbuta is bovendien een eilandgebergte, omringd door landbouw en door uitgestrekte aanplant van uitheemse dennen en eucalyptus, die het waterregime van de hellingen beïnvloedt. Het beschermde deel biedt enige zekerheid, maar de soort heeft geen uitwijkmogelijkheid als het klimaat droger wordt. Een formele beoordeling zou hier dan ook eerder vroeg dan laat moeten komen.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula nahuelbutensis | Gluch, 2017

Beschreven door Oliver Gluch in 2017, in "Revision of Pinguicula (Lentibulariaceae) in Chile and Argentina", Carnivorous Plant Newsletter 46(4): 121–131, op basis van materiaal dat op 7 januari 1968 door Ricardi, Marticorena en Matthei werd verzameld. De typelocatie ligt in de provincie Malleco, Nationaal Park Nahuelbuta, op 1250 meter hoogte, Chili. De naam verwijst naar de Cordillera de Nahuelbuta, het gebergte in de Chileense regio Bíobío waarin de soort endemisch is.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.