Alle soorten › Heideachtigen › Trompetbekerplantfamilie › Sarracenia minor

Sarracenia minor | Kleine trompetbekerplant

Hooded pitcher plant | Planta carnívora encapuchada

De bekerplant die zijn eigen mond overkapt. Het deksel buigt bij deze soort naar voren over de opening heen, zodat er geen regen in valt — en op de achterkant van die kap staan tientallen witte, doorschijnende venstertjes die een insect binnenin een uitweg voorspiegelen die er niet is.

Sarracenia minor (Kleine trompetbekerplant)
Foto: Alex Abair — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Sarracenia minor — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Alex Abair — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Sarracenia minor — de bloem
De bloem · Foto: Rüdiger Kratz, St. Ingbert in kweek — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Sarracenia minor — de standplaats
De standplaats · Foto: U.S. Fish and Wildlife Service Southeast Region — Public domain · Wikimedia Commons

Herkenning

Rechtopstaande bekers van 12 tot 45 cm, slank, met een smalle vleugel aan de voorkant. Het bovenste deel is naar voren gebogen en eindigt in een kap die de mond als een helm overwelft; wie er van bovenaf naar kijkt, ziet de opening niet. Op de achterkant en de zijkanten van dat bovenstuk staan onregelmatige witte, doorschijnende vlekjes — de vensters (areolen) — die bij tegenlicht oplichten. De buis is groen, het bovenstuk vaak roodbruin aangelopen met rood aderwerk. In april en mei staat op een kale stengel van 12 tot 55 cm, meestal net iets korter dan de hoogste bekers, één knikkende bloem met vijf hangende, bleekgele kroonbladen van 3 tot 5 cm en een paraplu­vormige stijlschijf. De bloem geurt niet.

Gelijkende soorten

De overkapte mond is het kenmerk: geen andere rechtopstaande Sarracenia heeft een deksel dat voorover over de opening buigt. S. psittacina heeft ook witte vensters, maar ligt plat op de grond en heeft een gesloten bolle kap met een gaatje opzij. S. leucophylla is veel hoger, met een groot wit veld over het hele bovenste derde deel en een rechtopstaand deksel, en bloeit rood. S. rubra is klein maar heeft een open mond en roodbruine bloemen. Wees op je hoede voor hybriden: S. × excellens (met S. leucophylla) is groter en witter met een half hangend deksel, S. × formosa (met S. psittacina) is half liggend, en S. × harperi (met S. flava) heeft een kap die niet ver genoeg doorbuigt.

De val en hoe hij werkt

Een lichtval. Prooi — en dat zijn bij deze soort in de eerste plaats mieren — loopt langs een nectarspoor over de vleugel omhoog naar de mondrand en gaat de overkapte opening binnen. Daar wordt het donker, behalve op één plek: door de witte vensters in de achterwand valt daglicht naar binnen. Het dier loopt naar dat licht toe, botst tegen de wand, en zakt in de gladde, met was bedekte buis. Lager staan naar beneden gerichte haren die alleen één richting toelaten, en onderin het verteringssap. Doordat de kap de opening afdekt, komt er nauwelijks regen in en blijft dat sap geconcentreerd — anders dan bij S. purpurea, die juist van regenwater leeft. Veldonderzoek laat zien dat de vangst van deze soort voor een opvallend groot deel uit mieren bestaat; de vensters werken vooral op wat binnen is, niet als lokmiddel van veraf.

Standplaats en ecologie

Natte savanne en natte tot vochtige flatwoods met langbladige den, kwelhellingen op zand, veenmoszones in moerasranden en heel vaak de natte greppels langs zandwegen. Zure, natte, voedselarme grond, in de zon of in lichte schaduw. Van de bekerplanten van de kustvlakte verdraagt deze soort nog het meeste beschaduwing en de meeste verstoring, wat verklaart waarom hij zich langs bermen en op verwaarloosde percelen het langst houdt. Ook hier is brand het beheer dat de savanne open houdt.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in de kustvlakte van het zuidoosten van de Verenigde Staten: van zuidelijk North Carolina door South Carolina en Georgia tot in het schiereiland van Florida, waar hij zuidelijker doorloopt dan enige andere bekerplant. Het binnenland en de Golfkust ten westen van Georgia ontbreken. Buiten dat areaal handhaaft hij zich op enkele plaatsen in Groot-Brittannië waar hij is uitgezet.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 76 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

De opvallendste wilde vorm is var. okefenokeensis, de reuzenvorm van het Okefenokee-moeras in zuidelijk Georgia en aangrenzend Florida: dezelfde plant, maar met bekers die tot ongeveer 120 cm hoog worden, met bredere vensters en een zwaarder gebouwde kap. In de gewone var. minor is de variatie beperkt tot de mate van roodbruine aanloop op het bovenstuk. Verder kruist de soort in het veld met vrijwel elke buur: S. × excellens met S. leucophylla, S. × formosa met S. psittacina, S. × harperi met S. flava, S. × swaniana met S. purpurea. Die kruisingen zijn op gemengde vindplaatsen soms talrijker dan de zuivere planten. De vuistregel geldt ook hier: buigt de kap niet volledig over de mond, dan heb je geen afwijkende S. minor maar een hybride voor je.

Waar en wanneer te zien

April en mei, als de bleekgele bloemen boven het gras hangen; buiten die tijd verraadt de plant zich vooral door de vreemde, voorovergebogen silhouetten tussen de zeggen. Zoek in natte savanne en langs greppels in zuidelijk Georgia en noordelijk Florida, en in de savannereservaten van de Carolina's. Ga na een winterbrand, wanneer het gras kort staat. Houd bij het kijken je hoofd laag: het aardige van deze soort zie je pas als je hem van opzij en van onderen bekijkt, met de zon achter de kap — dan lichten de vensters op als een rij ruitjes.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de Rode Lijst; een wereldwijde beoordeling ontbreekt. Wat wel bekend is: hij is binnen zijn areaal nog wijd verbreid en op veel plekken algemeen, en van de bekerplanten van de kustvlakte houdt hij zich het best staande in bermen en langs greppels. Daar staat tegenover dat zijn leefgebied, de natte savanne met langbladige den, in een eeuw tot een fractie is teruggebracht, en dat de reuzenvorm van het Okefenokee-moeras aan één moerascomplex gebonden is. Verzamelen en het uitgraven van wilde planten spelen bij het hele geslacht mee. Als Sarracenia valt hij onder CITES bijlage II.

Wetenschappelijke naam

Sarracenia minor | Walter, 1788

Thomas Walter beschreef de soort in 1788 in Flora Caroliniana. Geen precieze typelocatie opgegeven; de soort komt van nature voor in de kustvlakte van North en South Carolina, Georgia en Florida. De soortnaam minor is Latijn voor 'kleiner', naar de relatief bescheiden afmetingen van de bekers vergeleken met andere rechtopstaande Sarracenia-soorten.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.