Alle soorten › Heideachtigen › Trompetbekerplantfamilie › Sarracenia rubra

Sarracenia rubra | Rode trompetbekerplant

Sweet pitcher plant

De bescheidenste van de rechtopstaande trompetbekerplanten: smalle bekers die zelden een halve meter halen, en daarboven kleine donkerrode bloemen die op een windstille dag van meters afstand te ruiken zijn. Het is tegelijk de lastigste soort van het geslacht, want wat hier onder één naam staat is in het veld een reeks regionale vormen die van de kustvlakte tot in de zuidelijke Appalachen uit elkaar ligt.

Sarracenia rubra (Rode trompetbekerplant)
Foto: Ryan Somma — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons
Sarracenia rubra — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Photo by and (c)2008 Derek Ramsey ( Ram-Man ). Co-attribution must be given to the Chanticleer Garden in kweek — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Sarracenia rubra — de bloem
De bloem · Foto: NoahElhardt in kweek — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Variëteiten

Sarracenia rubra — subsp. rubra — smalle, opstaande beker met vleugel en klein spits kapje
subsp. rubra — smalle, opstaande beker met vleugel en klein spits kapje · Foto: Tippitiwichet in kweek — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Sarracenia rubra — subsp. gulfensis — veel forsere, hogere bekers dan subsp. rubra
subsp. gulfensis — veel forsere, hogere bekers dan subsp. rubra · Foto: NasserHalaweh in kweek — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Rechtopstaande, slanke bekers van (6–)10 tot 52, hoogst uitzonderlijk 57 cm, groen tot roodbruin overlopend of geheel donkerrood, met langs de voorkant een smalle vleugel van 0,5 tot 2 cm. De opening is ovaal en klein, 0,5 tot 3,5 cm breed, met een strak omgekrulde groene tot rode rand. De kap staat vrijwel horizontaal en dicht boven die opening, is eirond en vlak tot licht golvend en meet 0,7 tot 4,5 bij 0,7 tot 4 cm; doorschijnende witte vlekken ontbreken volledig. Uit de wortelstok van 0,5 tot 1,5 cm dik komen één of twee bloemstengels van 12 tot 75 cm met een knikkende bloem: donkerrode kelkbladen van 1,5 tot 2,7 cm en omgekeerd eironde kroonbladen van 2,5 tot 4 bij 1,3 tot 2,5 cm. De geur is sterk en zoet en is het betrouwbaarste kenmerk van de soort.

Gelijkende soorten

In dezelfde savannes staan grotere soorten met een veel wijdere mond. Sarracenia flava en S. leucophylla zijn twee tot drie keer zo hoog en hebben gele bloemen; S. leucophylla heeft bovendien een net van witte vensters in het bovenste deel van de beker, dat S. rubra nooit heeft. S. minor heeft die witte vensters ook en draagt zijn kap als een helm ver over de opening heen. S. purpurea en S. rosea liggen half op de grond in plaats van rechtop. Blijft over: een smalle rechtopstaande beker met een kleine opening, een lage horizontale kap zonder vensters, en een donkerrode bloem die ruikt.

De val en hoe hij werkt

Een klassieke bekerval zonder enige beweging. De vleugel aan de voorzijde loopt als een ladder van de voet naar de rand en draagt nectarklieren; die spoor van suiker eindigt op de omgekrulde rand, waar de nectar het overvloedigst is en het oppervlak glad. Wie doorloopt valt in de buis. Daarbinnen zijn drie zones te onderscheiden: een wasachtige gordel waar geen pootje houvast vindt, daaronder een gordel met naar beneden gerichte haren, en onderin de vloeistof. De haren staan als weerhaken en maken de weg terug onbegaanbaar. Anders dan de beker van Heliamphora heeft deze geen uitgietspleet: hij vangt regenwater op en het niveau in de buis stijgt en daalt met het weer. De kleine mond betekent een klein menu — vooral mieren, kleine vliegen en spinnen — en de plant verteert de vangst met eigen enzymen én met de bacteriën die in het vocht leven.

Standplaats en ecologie

Natte savanne met langbladige den, kwelmoerassen op zand langs de randen van zandruggen, en de vochtige zoom van pocosinstruweel. In de bergen groeit hij in kleine veenmoerassen en in de natte zoom langs watervallen en beken. De grond is overal zuur, zandig tot venig en het hele jaar door nat. Net als de andere trompetbekerplanten heeft hij open terrein nodig: waar het vuur uitblijft, sluit het struweel zich en verdwijnt hij binnen enkele jaren onder de takken.

Verspreiding en hoogte

De kustvlakte van North en South Carolina, Georgia, het uiterste noorden van Florida en Alabama, met daarnaast een groep geïsoleerde bergpopulaties in de zuidelijke Appalachen van North en South Carolina. Het areaal is dus in twee stukken gebroken, en die twee stukken dragen verschillende ondersoorten. Buiten dit gebied komt de soort niet in het wild voor.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 44 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Dit is geen soort maar een complex. Onderscheiden worden subsp. rubra van de Carolina's, subsp. gulfensis van de Golfkust, subsp. wherryi en subsp. alabamensis (de Alabama trompetbekerplant) van Alabama, subsp. viatorum en subsp. jonesii van de bergen; ze verschillen in de hoogte van de beker, de breedte van de kap en de beharing. Verschillende Amerikaanse flora's verheffen jonesii en alabamensis tot zelfstandige soorten; deze gids volgt POWO en houdt ze als ondersoort binnen S. rubra. Dat verschil is niet alleen papier: juist die twee staan apart in CITES bijlage I. Natuurlijke kruisingen met andere trompetbekerplanten komen voor waar de soorten elkaar raken.

Waar en wanneer te zien

Zoek laag en zoek met de neus. De bekers vallen tussen zeggen en gras weg, maar de bloem is donkerrood en geurt zo sterk dat je hem eerder ruikt dan ziet. Ga naar een open, met vuur beheerde savanne of naar de rand van een kwelhelling waar het water zichtbaar over het zand loopt; de plant staat er meestal in kleine groepen bij elkaar. Het beste veldkenmerk is de kap: klein, vlak en horizontaal boven een nauwe mond, zonder een spoor van witte vensters. Kijk in de beker maar snijd hem niet open; een beker gaat een heel seizoen mee.

Staat van instandhouding

De soort als geheel is door de IUCN niet geëvalueerd — de Rode Lijst kent er geen categorie aan toe, en dat staat hier dus als niet geëvalueerd. Wat wél vastligt: het hele geslacht staat in CITES bijlage II, en twee ondersoorten staan apart in bijlage I en gelden in de Verenigde Staten sinds 1988 en 1989 als bedreigd. Van de bergpopulaties van subsp. jonesii zijn vijftien vindplaatsen over met samen naar schatting zevenhonderd tot twaalfhonderd planten. De oorzaken zijn overal dezelfde: ontwatering, het uitblijven van brand waardoor het struweel dichtgroeit, ontginning van savanne, en het uitgraven van planten voor de handel.

Wetenschappelijke naam

Sarracenia rubra | Walter, 1788

Thomas Walter beschreef de soort in 1788 in Flora Caroliniana. Geen precieze typelocatie opgegeven; de soort komt van nature voor in de kustvlakte en de zuidelijke Appalachen van de Carolina's, Georgia, Florida en Alabama. De soortnaam rubra is Latijn voor 'rood', naar de donkerrode bloemen.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.