Alle soorten › Heideachtigen › Trompetbekerplantfamilie › Sarracenia alata
Sarracenia alata | Gevleugelde trompetbekerplant
Pale pitcher plant
De trompetbekerplant van het westen: waar de savanne voorbij de Mobile-baai overgaat in de kustvlakte van Mississippi, Louisiana en Texas, is dit meestal de enige rechtopstaande soort die er staat. Hij groeit in dichte velden van honderden bekers tegelijk, bleek geelgroen, met een kap die als een luifel over de mond hangt.




Natuurlijke hybriden

Herkenning
Rechtopstaande bekers van 15 tot 75 cm, in het bovenste deel meestal geelgroen, soms met purperen lijnen of nerven en bij sommige planten geheel purper overlopen; doorschijnende witte vensters ontbreken. De vleugel aan de voorzijde is 1 tot 2 cm breed. De opening is ovaal, 2 tot 5 cm breed, met een groene, strak omgekrulde rand. De kap buigt naar achteren en houdt zich ver over de opening heen, 3,5 tot 6 bij 4 tot 6 cm en doorgaans breder dan lang. Zwaardvormige bladeren zonder beker ontbreken meestal; staan ze er, dan zijn het er één of twee, tot 40 bij 1 tot 2 cm. De bloemstengel is 15 tot 60 cm en blijft onder de bekers; de bloem heeft geelgroene kelkbladen van 3 tot 6 bij 2,5 tot 4 cm en bleek- tot diepgele kroonbladen. De plant maakt twee golven bekers per jaar: een lichte in het voorjaar en een zwaardere in de nazomer.
Gelijkende soorten
In het oostelijke deel van het areaal staat hij naast Sarracenia leucophylla, die in het bovenste deel van de beker een net van witte vensters draagt, en naast S. flava, waarvan de kap rechtop boven de mond staat in plaats van er als een luifel overheen te hangen; S. flava heeft bovendien vaak een rode vlek in de keel. S. rubra is veel kleiner, heeft een nauwe mond en donkerrode bloemen. Ten westen van de Mississippi vervalt de vraag: daar is dit de enige trompetbekerplant met rechtopstaande bekers, en alles wat plat op de grond ligt is S. psittacina of S. purpurea.
De val en hoe hij werkt
Een bekerval zonder beweging, maar met een zorgvuldig opgebouwde route. Nectarklieren staan het dichtst op de rand van de mond en op de onderkant van de kap, zodat een insect dat de vleugel opklimt vanzelf bij de gladste plek uitkomt. De rand is strak omgekruld en biedt geen greep. Binnen in de buis volgt eerst een wasachtige zone waar pootjes geen houvast vinden, daaronder een zone met naar beneden gerichte haren, en onderin het vocht. De kap hangt ver over de mond en houdt de zwaarste regen buiten, maar sluit hem niet af: anders dan bij Heliamphora is er geen uitgietspleet, en de beker vult zich in een natte week wel degelijk met regenwater. De vangst bestaat vooral uit mieren, vliegen, wespen en kevers; de plant verteert die met eigen enzymen en met een gemeenschap van bacteriën en larven die het vocht bewoont.
Standplaats en ecologie
Natte savanne met langbladige den, natte flatwoods, open veentjes en kwelhellingen in het dennenland; soms ook op minerale grond die weinig organisch materiaal bevat, wat voor deze groep ongewoon is. De grond is voortdurend verzadigd en arm. Het beheer bepaalt alles: waar met vuur wordt gewerkt of waar een berm regelmatig wordt gemaaid, staan de dichtste velden; waar niets gebeurt, groeit de plaats binnen enkele jaren dicht.
Verspreiding en hoogte
De Golfkustvlakte van zuidwestelijk Alabama, door zuidelijk Mississippi en Louisiana tot in oostelijk Texas, van zeeniveau tot hooguit vijftig meter. Het areaal is in twee vlekken verdeeld die door de vallei van de Mississippi van elkaar gescheiden zijn: een oostelijke groep van Louisiana tot Alabama en een westelijke groep van westelijk Louisiana tot in Texas. Endemisch in dit gebied; daarbuiten komt hij niet in het wild voor.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
De variatie is groot maar niet in namen vastgelegd: planten met een geheel groene beker, met purperen nerven en met een diep purper overlopen bovendeel groeien vaak in dezelfde populatie door elkaar heen. De opvallendste vormen zijn de zwaar purper gekleurde planten van enkele populaties in Mississippi en Alabama. Erkende variëteiten zijn er niet, en de gekleurde selecties die in de handel rondgaan zijn kweekproducten die buiten deze gids vallen. Natuurlijke kruisingen met S. leucophylla, S. psittacina en S. rubra komen voor waar de soorten samen staan.
Waar en wanneer te zien
Maart en april: dan staan de gele bloemen boven een savanne die nog kort is na de winterbrand, en zijn ze van de weg af te zien. De bekers van het voorjaar komen kort na de eerste bloemen op; wie later in het jaar komt, ziet de zwaardere nazomergolf. Zoek langs de natte kant van een zandweg door dennenland, of in een reservaat waar met vuur wordt beheerd. Het veldkenmerk is de kap die als een luifel ver over de mond hangt, zonder witte vensters erboven.
Staat van instandhouding
Gevoelig op de Rode Lijst en, als alle trompetbekerplanten, opgenomen in CITES bijlage II. De soort is nog talrijk en er staan grote populaties op openbaar terrein in Louisiana en Texas, maar de savanne waarin hij hoort is in een eeuw grotendeels omgezet in dennenplantage, akker en bebouwing, en wat over is wordt vaak niet meer gebrand. Ontwatering, aanplant van dicht op elkaar staande dennen en het dichtgroeien van kwelhellingen zijn de belangrijkste oorzaken; het uitgraven van planten speelt een kleinere maar reële rol.
Wetenschappelijke naam
Sarracenia alata | (Wood) Wood, 1863
Alphonso Wood publiceerde de naam in 1861 aanvankelijk als variëteit, Sarracenia gronovii var. alata, in zijn Class-Book of Botany; in 1863 verhief hij haar in Leaves and Flowers tot zelfstandige soort. Geen precieze typelocatie opgegeven; de soort komt van nature voor langs de Golfkust, van oost-Texas tot het westen van Florida. De soortnaam alata is Latijn voor 'gevleugeld', naar de smalle vleugelrand die over de lengte van de beker loopt.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.