Alle soorten › Heideachtigen › Trompetbekerplantfamilie › Sarracenia oreophila

Sarracenia oreophila | Groene trompetbekerplant

Green pitcher plant

De enige trompetbekerplant die het bergland heeft gekozen in plaats van de kustvlakte, en de zeldzaamste van allemaal. Hij groeit op het Cumberlandplateau en in de zuidelijke Appalachen, waar dertien natuurlijke populaties over zijn. Het opvallendste aan hem is niet zijn beker maar wat er na de zomer voor in de plaats komt: een krans van platte, sikkelvormige bladeren zonder val.

Sarracenia oreophila (Groene trompetbekerplant)
Foto: USFWS/Southeast — Public domain · Wikimedia Commons
Sarracenia oreophila — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Mason Brock ( Masebrock ) — Public domain · Wikimedia Commons
Sarracenia oreophila — de bloem
De bloem · Foto: This illustration was made by Citron You must credit this : Citron / CC-BY-SA-3.0 in kweek — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Sarracenia oreophila — de standplaats
De standplaats · Foto: Department of the Interior. U.S. Fish and Wildlife Service. National Conservation Training Center. 10/1997-8888 — Public domain · Wikimedia Commons

Herkenning

Rechtopstaande bekers van 18 tot 75 cm, groen tot geelgroen, soms met purperen nerven of purper overlopen, zonder doorschijnende witte vensters; de vleugel aan de voorzijde is smal, 0,5 tot 1 cm. De kap is geelgroen, breed eirond tot niervormig en licht golvend, 2 tot 8 bij 2,5 tot 8 cm, en staat over de opening heen. Het beslissende kenmerk staat ernaast: drie tot vijf zwaardvormige bladeren zonder beker, meestal talrijker dan de bekers zelf, liggend tot opstijgend en zwak tot sterk sikkelvormig gebogen, 5 tot 18 bij 0,5 tot 3,5 cm. In de tweede helft van de zomer verwelken de bekers en blijft de plant vrijwel alleen met die sikkels achter. De bloemstengel is 45 tot 70 cm en blijft korter dan de bekers; de bloem is geel, met kelkbladen van 3 tot 5 bij 2 tot 3 cm en kroonbladen van 4 tot 5,5 bij 1,4 tot 1,7 cm, en ruikt flauw onaangenaam.

Gelijkende soorten

De verwarring is er maar met één soort: Sarracenia flava, die net zo groot is, net zo geel bloeit en dezelfde rechtopstaande beker heeft. Twee dingen scheiden ze. Ten eerste de zwaardvormige bladeren: bij S. oreophila zijn ze talrijk, plat liggend tot opstijgend en duidelijk sikkelvormig, en ze nemen na de zomer het werk van de verwelkte bekers over; bij S. flava zijn ze schaars en rechtop. Ten tweede het gebied: S. oreophila is een plant van het bergland op twee- tot driehonderd meter, S. flava een plant van de kustvlakte. Waar de twee elkaar toch raken, is de sikkel het antwoord.

De val en hoe hij werkt

Dezelfde bekerval als bij de andere trompetbekerplanten: nectar langs de vleugel omhoog, de dichtste klieren op de omgekrulde rand en onder de kap, daarbinnen een wasachtige zone en daaronder naar beneden gerichte haren die de terugweg afsluiten. Een uitgietspleet ontbreekt, zoals bij het hele geslacht: de beker vangt regenwater en het niveau schommelt met het weer. Wat deze soort apart zet, is de korte duur van dat alles. De bekers komen in het voorjaar op en verwelken al in de tweede helft van de zomer; de rest van het groeiseizoen doet de plant het zonder vallen en leeft ze van de fotosynthese van haar sikkelvormige bladeren. Het vangseizoen is daarmee korter dan bij elke andere soort van het geslacht.

Standplaats en ecologie

Kwelmoerassen en natte plekken op zand, drassige oevers van beken en rivieren die af en toe worden schoongeschuurd door hoogwater, natte struwelen, en kwelplekken in rijk eikenbos. De beide hoofdtypen — oeverstandplaatsen langs stromend water en veentjes hoger op het plateau — verschillen sterk in stabiliteit: de oevers zijn van nature tijdelijk en kunnen door een zware overstroming in één seizoen verdwijnen. Overal geldt hetzelfde: er moet licht op de grond komen, en waar het struweel dichtgroeit verdwijnt de plant.

Verspreiding en hoogte

Het bergland van noordoostelijk Alabama, noordwestelijk Georgia en het uiterste zuidwesten van North Carolina, op ongeveer twee- tot driehonderd meter boven zeeniveau. Verreweg de meeste vindplaatsen liggen in Alabama. Deze gids geeft geen preciezere ligging dan de staat en het bergland: voor een soort waarvan wereldwijd dertien natuurlijke populaties over zijn, is een routebeschrijving een risico dat niet opweegt tegen het gemak.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 4 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er is bij deze soort weinig te melden over vormen, en daar is een reden voor: het aantal populaties is zo klein en ze liggen zo ver uit elkaar dat de variatie die er is — in de mate van purperkleuring en in de lengte van de bekers — eerder van de standplaats dan van erfelijk verschil komt. Erkende variëteiten of kleurvormen zijn er niet. Wel zijn natuurlijke kruisingen met S. purpurea beschreven op de enkele plaats waar de twee elkaar in het bergland raken.

Waar en wanneer te zien

April tot juni is de tijd dat je hem herkent: de gele bloem staat dan boven de verse bekers uit. Kom je later, zoek dan naar de sikkels — een rozet van platte, gebogen bladeren zonder val is in dit landschap het handtekeningkenmerk. Enkele populaties liggen op openbaar beheerd of door natuurbeschermers verworven terrein waar een pad langs de rand loopt; welke dat zijn staat niet in deze gids, en dat is met opzet. Vraag ernaar bij het reservaat zelf, blijf op het pad en laat de plant met rust: elke wortelstok die uit de grond gaat, is een meetbaar deel van de wereldpopulatie.

Staat van instandhouding

Ernstig bedreigd op de Rode Lijst en als enige trompetbekerplant opgenomen in CITES bijlage I. In de Verenigde Staten was hij in 1979 de eerste vleesetende plant die onder de Endangered Species Act werd geplaatst. Bij de laatste vijfjaarlijkse toetsing waren dertien natuurlijke populaties over, tegen vijftien in 2014, verdeeld over drie staten; acht daarvan liggen op openbaar of door natuurbeschermingsorganisaties beheerd terrein. De oorzaken zijn het uitblijven van brand en beheer waardoor opslag de plant overgroeit, zware overstromingen die oeverpopulaties wegspoelen, het uitgraven van planten voor de handel, en het wegvallen van medewerking van particuliere grondeigenaren.

Wetenschappelijke naam

Sarracenia oreophila | (Kearney) Wherry, 1933

Thomas H. Kearney beschreef de soort in 1900 aanvankelijk als variëteit van Sarracenia flava, als Sarracenia flava var. oreophila; Edgar T. Wherry verhief haar in 1933 tot zelfstandige soort. De typelocatie ligt in de bergen van het noordoosten van Alabama. De soortnaam oreophila is Grieks voor 'bergminnend', van oros ('berg') en philos ('liefhebbend'), naar de bergachtige leefomgeving in de zuidelijke Appalachen.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.