Alle soortenEendachtigenEenden, ganzen en zwanen › Amerikaanse zee-eend

Amerikaanse zee-eend

Melanitta americana | Black scoter | Negrón americano

Sinds omstreeks 2010 wordt deze vogel op de meeste lijsten als aparte soort naast de zwarte zee-eend behandeld, op grond van de snaveltekening en vooral van het geluid. In Europa gaat het om een handvol mannetjes, die soms jaren achtereen in dezelfde bocht van de kust opduiken. Het determineren komt neer op één ding: hoeveel geel zit er op de snavel en waar precies.

Amerikaanse zee-eend (Melanitta americana)
Foto: Becky Matsubara — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zwarte-zee-eendgroep is de enige zee-eendgroep die op zee echt van zich laat horen, en juist dat helpt hier. De man laat een helder, ver dragend fluitgeluid horen. Bij de zwarte zee-eend is dat een korte, gedempte pjuu; bij de amerikaanse zee-eend is de toon veel langer aangehouden, licht trillend en klaaglijk, meer een kuuu-lie dat seconden lijkt te duren. Dat verschil in duur is betrouwbaar en heeft meerdere Britse vogels opgeleverd: eerst gehoord in een fluitend vlot, daarna teruggevonden met de telescoop. Buiten de baltsperiode van maart tot mei zwijgen ze grotendeels.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

In bouw en formaat gelijk aan de zwarte zee-eend: compacte, geheel donkere zee-eend met een spitse staart en zonder wit in de vleugel. Adult mannetje: glanzend zwart, met de hele opgezwollen snavelbasis fel geel tot oranje, zodat het lijkt of er een grote gele knop op de snavel is gedrukt; het geel loopt door tot aan de bevedering en trekt over de bovenkant én de zijkanten van de zwelling. De rest van de snavel is zwart. Het vrouwtje is donkerbruin met een vale wang en keel die scherp afsteken tegen de donkere kruin, en met een grijze snavel — precies zoals bij de zwarte zee-eend. Eerstejaars mannetjes hebben in de eerste winter nog nauwelijks geel en krijgen dat in de loop van hun tweede kalenderjaar.

Verwarrings­soorten

Alles draait om de zwarte zee-eend. Bij de man van de zwarte zee-eend is de knobbel op de snavelbasis zwart en blijft het geel beperkt tot een smalle streep op de snavelrug rond en achter de neusgaten; bij de amerikaanse zee-eend is de hele zwelling geel of oranje, over de zijkanten heen, en oogt de snavelbasis daardoor voller en boller. Daarnaast is de kop van de amerikaanse zee-eend gemiddeld ronder, met een steiler voorhoofd en een vollere nek, maar die verschillen overlappen en zijn op zichzelf nooit genoeg. Adulte mannetjes zijn goed te doen, ook op afstand, zolang de vogel de kop zijwaarts houdt. Mannetjes in hun tweede kalenderjaar zijn onbetrouwbaar: een half geel, half donker snavelvlak past ook bij een jonge zwarte zee-eend. Vrouwtjes en eerstejaars vogels zijn in het veld niet te scheiden, en wie eerlijk is laat ze als onbepaald staan; er zijn geen kenmerken die de toets doorstaan.

Leefgebied

Ondiepe kustzee boven zandbanken met schelpdieren, altijd binnen de vlotten van zwarte zee-eenden, en daarmee meestal binnen enkele kilometers uit de kust. Ook in getijdenstromen bij zeegaten en voor pierhoofden. Broedt aan meren en toendrapoelen in Alaska en Oost-Siberië; in Europa zie je hem uitsluitend op zee.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt in Alaska, Noordoost-Siberië en Oost-Canada; overwintert langs beide Amerikaanse kusten. In Europa is het een echte zeldzaamheid. Groot-Brittannië telt zo'n vijfendertig gevallen, beginnend met Gosford Bay in Lothian in 1987, met een sterk Schots zwaartepunt en met langblijvende mannetjes bij Llanfairfechan in Wales, bij Blackdog en Murcar aan de Aberdeenshire-kust, in Lunan Bay en langs de kust van Northumberland; de meeste betreffen terugkerende individuen. Nederland heeft vier door de CDNA aanvaarde gevallen: Voorne in december 1954, Texel in november 1967, Voorne in november 1977 en Schiermonnikoog in oktober 2021, die laatste vogel keerde in 2022 en 2023 terug. De eerste drie waren tevens de eerste voor Europa. Spanje heeft drie gehomologeerde gevallen: Navia in november 1986, Villaviciosa in oktober en november 1994 en de Ría de Corme y Laxe in februari en maart 2002.

  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2024-08-01 – 2026-07-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga naar een kop of pier waar in de nazomer en herfst grote ruiende vlotten zwarte zee-eenden liggen, en werk die bij vlak water systematisch af met de telescoop. Zoek niet naar zwart maar naar geel: bij elk mannetje dat de kop draait zie je een fractie van een seconde de snavelbasis. Op een windstille avond in maart of april loont het om eerst te luisteren; een fluittoon die duidelijk langer duurt dan de rest van het koor is het startsein om die hoek van het vlot uit te kammen.

Staat van instandhouding

Als gevoelig beoordeeld. De aantallen in Alaska en Oost-Canada zijn in enkele decennia sterk gedaald, en de oorzaken zijn niet goed bekend. Bijvangst in staande netten, olievervuiling, jacht op de trekroutes en veranderingen in de schelpdierbanken worden alle genoemd. Omdat de soort zich concentreert in dichte vlotten op een beperkt aantal plekken, tikt elk incident meteen door in de totalen.