Alle soortenSteltloperachtigenMeeuwen en sterns › Armeense meeuw

Armeense meeuw

Larus armenicus | Armenian gull | Gaviota armenia

De grote meeuw van de bergmeren van Oost-Turkije en Armenië, compacter en donkerder dan de geelpootmeeuw en met een donker oog dat het gezicht streng maakt. De vogel wordt sinds de jaren negentig algemeen als aparte soort behandeld en is het doelwit van menige reis naar het Vansmeer en het Sevanmeer.

Armeense meeuw (Larus armenicus)
Foto: Xelgen — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Hoger en hoorbaar heser dan de geelpootmeeuw, met een snel, blaffend gelach dat abrupt eindigt. Bij een kolonie op de eilandjes van het Sevanmeer klinkt vrijwel onafgebroken een nasaal, klagend geroep; ook rond de vuilstorten van Jerevan is het lawaai het eerste wat opvalt. De long call wordt met de kop iets minder ver achterover uitgestoten dan bij de geelpootmeeuw.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Een middelgrote, gedrongen meeuw met een steil voorhoofd, een ronde kop en betrekkelijk korte poten. De mantel is duidelijk donkerder leigrijs dan bij de geelpootmeeuw en bijna zo donker als bij de kleine mantelmeeuw. De snavel is kort en hoog met een brede zwarte band vlak voor de punt, die vaak boven- en ondersnavel volledig omvat, en met een kleine rode vlek daarachter. Het oog is donker, omgeven door een rode ring, waardoor de blik hard oogt. De vleugelpunt is uitgebreid zwart met slechts één kleine spiegel op p10. In de winter is de kop nog vrijwel wit, met hooguit wat fijne strepen achter het oog; eerstejaars zijn donker en netjes geschubd met een strak afgesneden zwarte staartband.

Verwarrings­soorten

De geelpootmeeuw is groter en hoogbeniger, met een bleek geel oog, een langere snavel met een rode gonysvlek zonder complete zwarte band, en een lichter grijze mantel. De pontische meeuw is langgerekt en peervormig, met een lange parallelle snavel, een aflopend voorhoofd en veel wit in de handpen. De armeense meeuw is bij beide het kortst en compactst, met het donkere oog, de korte snavel met de duidelijke zwarte band, het donkerder grijs van de mantel en een spiegel die klein blijft. Toets in die volgorde: eerst oog, dan snavelpatroon, dan mantelkleur tegen de buurvogel, en pas daarna de vleugelpunt.

Leefgebied

Grote bergmeren, van het Vansmeer op bijna 1650 meter tot het Sevanmeer op ruim 1900 meter, met broedkolonies op rotsige eilandjes en steile oevers. Foerageert op vis en insecten, maar in de zomer vooral op vuilstortplaatsen, visvijvers en stuwmeren; buiten de broedtijd op de slikken en in de havens van de Levant.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt in Oost-Turkije, Armenië, delen van Georgië en Noordwest-Iran, met het Vansmeer, het Sevanmeer, het Arpimeer en Çıldır als kern. Het is een van de weinige grote meeuwen met zo'n klein en zo hoog gelegen broedgebied. In de winter trekt het grootste deel naar de kusten van Israël, Libanon, Syrië en Egypte, met concentraties bij visvijvers en havens; in Europa ten westen van de Kaukasus is de soort een uitzondering.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2024-08-01 – 2026-07-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Rijd in juni naar Sevanavank aan het Sevanmeer: daar staan de vogels langs de parkeerplaats en op de rotsen op tien meter afstand, en zie je oogkleur, snavelband en mantelkleur zonder telescoop. Bij het Vansmeer werken de oevers bij Ahlat en Erciş, en in Turkije helpt het om aan een vissershaven te wachten. Neem een geelpootmeeuw als maatstaf in beeld: pas naast elkaar zie je hoeveel donkerder de mantel is en hoe klein de snavel.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd volgens de IUCN, maar de soort staat op weinig plaatsen en is daarmee gevoelig. De waterstand van het Sevanmeer en het Vansmeer wisselt sterk door onttrekking en droogte, waardoor broedeilandjes met de oever verbonden raken en bereikbaar worden voor honden en vossen. Sluiting en sanering van open vuilstorten haalt in korte tijd een groot deel van het zomervoedsel weg, en verstoring van kolonies door visserij en recreatie speelt op beide meren.